De wapens en de sport

     

 

   

Voorwoord
Inhoudsopgave
Inleiding
De Koninklijke Jaren
Heren van stand
Typisch Apeldoorns
De nieuwe tijd
De wapens en de sport
Bijlagen
Sitemap

DE WAPENS EN DE SPORT

Ook voor wat betreft de wapens en de sport heeft de vereniging in haar honderdvijfentwintig jarig bestaan een wezenlijke verandering ondergaan. Er is geen discussie mogelijk, van oorsprong is de vereniging een grootkaliber (militair) geweer vereniging. Evenzeer is het duidelijk dat zij dat nu niet meer is.

Grofweg zijn er drie perioden te onderscheiden:

1. De grootkaliber geweer periode van 1867 tot ongeveer 1939.

2. De kleinkalibergeweer periode van ongeveer 1939 tot ongeveer 1975.

3. De pistool/revolverperiode van ongeveer 1975 tot heden.

Dat wil niet zeggen dat de andere wapengroepen niet meer geschoten worden, integendeel, maar wel dat het merendeel van de leden in het desbetreffende tijdvak een bepaalde wapengroep schiet.

Op dit moment schiet driekwart van alle leden uitsluitend een pistool/revolverdiscipline.

Dit vindt zijn oorsprong in een aantal redenen. De fraaie eigen accommodatie voor het pistoolschieten en anderzijds het steeds moeilijker vinden van banen voor het groot kaliber geweerschieten en misschien ook het meer dynamische karakter (eigen aan de tijdgeest) van het pistoolschieten.

Een kenmerk van de moderne schietsport is het ontstaan van steeds meer verschillende disciplines, elk met hun eigen regels en eisen aan de accommodatie.

Ook bij de Koninklijke Scherpschutters heeft dit geleid tot het sterk uitbreiden van het aantal verschillende disciplines.

Momenteel worden verschoten:

Groot kaliber geweer:

Afstand in meters

Houdingen

Militair geweer

100

Liggend, knielend

Standaard geweer

100

Liggend, knielend

 

 

 

Klein kaliber geweer

 

 

Standaard geweer

100

Liggend

Standaard geweer

12

Liggend, knielend

 

 

 

Pistool

 

 

Standaard pistool groot kaliber

12, 25

Staand

Standaard pistool klien kaliber

12, 25

Staand

 

 

 

Parcoursschieten

15

Staand

 

 

 

Lucht

 

 

Luchtgeweer

12

Knielend en staand

 

 

 

Historische wapens

 

 

Pistool en revolver

25

Staand

Geweer

50, 100

Staand en liggend

De overige bestaande disciplines kunnen niet worden geschoten in de vereniging door het ontbreken van de geschikte accommodatie, maar worden wel verschoten in wedstrijdverband buiten de vereniging.

Een van de grootste wensen van de vereniging is het uitbreiden van de baan van 25 naar 50 meter. Hiermee is van het begin af aan wel rekening gehouden, maar de financiële middelen ontbreken tot dusver.

 

5.1 Het grootkaliber geweerschieten

De groot kaliber (militair) geweer wapens en de munitie die binnen de vereniging gebruikt zijn en worden, worden ter beschikking gesteld door het Ministerie van Oorlog en later Defensie.

Achtereenvolgens zijn dat geweest:

Het Nederlandse geweer M 1815 nr. 1 (1867 tot 1870)

ldem, in de zogenaamde Snider uitvoering (1870 tot 1876)

Het Beaumontgeweer (1876 tot 1907)

Het M-95 Hem brug geweer (van 1907 tot 1940)

De Lee-Enfield Mk.lV (van 1946 tot 1963)

De Garand (van 1963 tot heden)

Daarnaast heeft de vereniging altijd met standaardgeweren geschoten, zij het op kleinere schaal. Als verenigingswapens zijn hiervoor gebruikt de Remington Rolling Block rifles en nu de Mauser 98K met een speciale wedstrijdloop van Schulz en Larsen en aangepaste richtmiddelen. De Remington Rolling Black geweren waren een cadeau van zijn Majesteit Koning Willem de Derde. De meeste standaardgeweren zijn echter altijd (en nog) privé aangeschaft door de leden.

De eerste oefeningen waren gebaseerd op de regels en oefeningen van Schutterij. Hierbij werden de schutters verdeeld in verschillende klassen. Men begon in klasse A. Als men hierin zes oefeningen met goed gevolg had geschoten ging men over naar klasse B. De hoogste klasse was klasse C waarin men de titel scherpschutter mocht voeren met het daarbij behorende distinctief. Dit distinctief werd bij Koninklijk Besluit van 20 mei 1875 ingevoerd. In 1882 zijn alle schutters van de vereniging in het bezit van het scherpschutters distinctief en kan er dus met recht gesproken worden over de Scherpschutters.

De eerste wedstrijden bestonden slechts uit vijf schoten, één proef schot en vier wedstrijdschoten. Vijf schutters vormden samen een Corps waarbij de uitslag het totaal van hun twintig schoten vormden. Ook de schijf was sterk afwijkend van de huidige met als hoogste waardering een 20 (schijf Hoorn) of een 12 (schijf Breda). Daardoor zijn de geschoten punten niet te vergelijken met de huidige aantallen. Het is opvallend om te zien, hoe de afstanden waarop geschoten werd steeds korter werden, terwijl omgekeerd de wapens steeds beter werden. Tot ongeveer 1914 werd uitsluitend op driehonderd meter geschoten. In feite was het in Apeldoorn 290 meter, maar dit was te wijten aan de fysieke beperking van de baan, op de eerste 10 meter was namelijk het verenigingsgebouw neergezet.

Het treffen van de schijf met een Beaumont of zelfs Rolling Block geweer mag hierbij gerust een prestatie genoemd worden. Na 1914 wordt de, veel betere, M-95 uitsluitend op 200 meter geschoten en na 1930 wordt nog vrijwel uitsluitend op 100 meter geschoten. De prestaties uit de eerste periode worden dan ook gemeten in zogenaamde cartens, dat wil zeggen vijf cartens met 40 punten wil zeggen vijf schijven met daarop in totaal 40 punten.

Het Nederlandse geweer M 1815 Nr.1 in de Snider uitvoering (1867 tot 1898)

Dit geweer model is een afgeleide van het Franse vuursteengeweer met gladde loop dat bekend staat onder de aanduiding model 1777. Rond 1840 zijn deze geweren omgebouwd van vuursteen naar percussie. Het ontving toen de officiële aanduiding Nederlands geweer Nr. 1 Model 1840. Bij de manschappen werd het meestal aangeduid als het ‘lange’ geweer vanwege de grote lengte. Het is een voorlader en heeft een groot kaliber 0.69 inch ofwel ruim 18 millimeter. De auteur van dit boekje is zelf in het bezit van een dergelijk geweer en kan dus over de prestaties uit de eerste hand spreken.

Nu, deze zijn niet geweldig, om het mild uit te drukken. Door het grote kaliber is de kogel erg zwaar (ongeveer 500 grains). Dit geeft een zeer gebogen kogelbaan. Met een kruitlading van 80 grains zakt de kogel op 50 meter al zo’n vijftig centimeter. Voeg daaraan toe dat de loop glad is, dus de kogel niet door trekken en velden in een draaiende en daardoor gestabiliseerde beweging wordt gebracht, dan is het verklaarbaar dat de gemiddelde soldaat die uitgerust was met een dergelijk geweer een schijf van 50 bij 50 centimeter op een afstand van 50 meter slechts gemiddeld bij drie van de tien schoten raakte. Nauwelijks een geweer dus dat geschikt is voor het scherpschieten.

Desalniettemin werd er geschoten op afstanden van 100, 150 en 200 pas, respectievelijk 75, 112 en 150 meter (over de pas wordt verschillend geoordeeld, algemeen wordt 75 centimeter aangehouden).

De resultaten spreken dan ook voor zich zelf, getuige de cijfers van 1867 en 1868.

Er werden 40 schoten per man per jaar afgegeven (als na 1868 het Ministerie van Oorlog de munitie ter beschikking stelt worden het er bijna 20 keer zo veel). Van deze in totaal 110 x 40 = 4400 schoten kwam het volgende terecht:

 

1867

1868

Het doel niet geraakt

64%

53%

Het doel geraakt maar niet de schijf

21%

28%

In het zwart van de schijf

14%

17%

In het wit van de schijf

0,75%

2%

 

Bij nadere analyse blijken bovendien alle treffers op 2 schoten na op de 75 meter afstand te zijn geweest.

Nu was het geweer ook niet voor scherpschieten gemaakt. De militaire tactiek uit die tijd ging uit van het aanvallen in gesloten colonnes, waarbij zo gericht werd dat de kogel via haar gebogen baan ergens in de colonne terecht kwam. Van gericht schieten op een tegenstander was geen sprake.

De grote lengte van het geweer (ongeveer 170 centimeter en met opgeplante bajonet zelfs 2.05 meter, was enerzijds noodzakelijk om het buskruit volledig te laten verbranden en anderzijds om met het wapen de cavalerie van zich af te kunnen houden, nadat het schot was afgevuurd.

Het ‘M 1815 geweer’ werd volledig in Nederland gemaakt, bij diverse kleine bedrijven. Dit geweer was de laatste voorlader die in Nederland in het leger in gebruik is geweest. Het wordt opgevolgd door de achterlader die geladen wordt met messing huls patronen.

In de periode 1840 tot 1850 werden de M 1815 geweren omgebouwd naar percussie.

Nog weer later (rond 1868- 1870) zijn deze geweren voor de tweede keer omgebouwd door er een sluitstuk in te zetten volgens het ontwerp van een meneer Snider. Op deze wijze werden ze van voorlader tot achterlader. Er werd een messingpatroon gebruikt, wat het laden wel vergemakkelijkte maar de schietprestaties niet verbeterde. Het waren deze geweren die uitgereikt werden aan de vereniging. De geweren zijn maar zeer kort door de vereniging voor het scherpschieten gebruikt, maar voor het schermen (geweervechten) zijn ze tot 1894 in gebruik geweest. Dit geweervechten was zeer impopulair bij de schutters. In het jaarverslag van 1887 kunnen we lezen dat er slechts gemiddeld een vijftal schutters opkomt voor het schermen, ondanks alle inspanningen van den sergeant-majoor instructeur en dat zelfs het opleggen van boeten de schutters hunnen angst voor blauwe plekken en kleine verwondingen niet vermag te doen overwinnen.

Het is dan ook om deze redenen dat Koning Willem de Derde de Remington geweren aanschaft die wel geschikt waren voor het scherpschieten. Deze Remmington (zoals het toen gespeld werd) geweren waren echter weer niet in gebruik bij het Nederlandse leger, op een kleine hoeveelheid na die aangeschaft en gebruikt werd (overigens wederom op initiatief van de Koning) door de Koninklijke marechaussee. De vereniging was natuurlijk niet de enige die met het probleem van het gebrek aan precisie worstelde. Ook in het leger werd dit onderkend. Na de Frans-Duitse oorlog van 1870 voerde men dan ook in 1871 snel een nieuw geweer in bij het leger. Dit werd het Beaumontgeweer, door de militairen aangeduid (naar het jaar van in gebruik name) als het M-71 geweer.

De vereniging was een militaire vereniging zodat er met het standaard militaire geweer geschoten moest worden d.w.z de Beaumont, hoewel de schutters de voorkeur gaven aan de Remmington.

Een tijdlang worden er dan ook drie typen geweren naast elkaar gebruikt.

Het M 1815 l M 1840 geweer voor het schermen.

De Beaumont M-71 als het standaard militair geweer en de Remington als Scherpschuttersgeweer (standaard geweer zouden we tegenwoordig zeggen).

 

Het Beaumontgeweer is in tegenstelling tot wat de naam doet denken een volledig Nederlands en oorspronkelijk ontwerp. Het is een achterlader met getrokken loop, dus een hele verbetering ten opzichte van het oude M 1815 geweer al dan niet in de Snider conversie.

Het kaliber is 0.45 inch, ongeveer 12 millimeter. Dit was Het standaard militaire kaliber uit deze tijd. Het zwakke punt van de Beaumont was de slagveer die opgenomen was in de (daardoor) Zeer dikke grendelknop. Deze slagveer brak makkelijk maar was anderzijds ook makkelijk te vervangen. Het wapen woog 4,4 kilo, een lengte van 1,32 meter en vier rechtsom draaiende trekken en velden. Het boogvizier loopt tot 1100 passen.

De geweren werden alleen gebruikt voor de militaire wedstrijden. Voor het scherpschieten werden de Remingtons gebruikt. Die overigens hetzelfde kaliber hadden, maar omwille van de lengte van het blok en de spoed van de loop een iets korte hulslengte en lichtere kogel hadden.

De Beaumont werd ook vervaardigd in een korte uitvoering. Dit was geen karabijn versie maar de zogenaamde cadetuitvoering. Cadetten waren jongens vanaf 12 jaar die zich voorbereiden op een loopbaan in het leger. De cadetuitvoering werd onder andere gebruikt bij de vereniging ‘de Kroonprins’. Dit in zowel de K.S.O uitvoering als later ook in de originele 0.45 inch kaliber uitvoering.

Omdat er nog geen Wapenwet was, zijn nadat de Beaumont geweren vervangen zijn door het M-95 geweer, er veel Beaumonts in de handen van de schutters achtergebleven. De Beaumont is dan ook nog regelmatig te zien op de schietbanen bij het onderdeel historische achterlader.

De flessevormige patroon met een loden kogel van 22 gram wordt

De Beaumont was een enkelschotswapen, later is er een aantal omgebouwd tot meerschotswapens door er een doosmagazijn aan toe te voegen volgens het ontwerp van meneer Vitali Dit geweer heet dan ook in de wandeling de Beaumont-Vitali en is onder de prozaïsche aanduiding M71/88 in 1888 in gebruik genomen. Met deze geweren heeft de vereniging het langst geschoten. Het wapen dat alleen geschikt is voor buskruit is redelijk zuiver en maakt het treffen van de roos in ieder geval meer dan alleen een kwestie van geluk.

De vereniging kreeg ook twee wapens die ingericht waren tot het houden van Kamer Schiet Oefeningen. Deze KSO wapens hadden een insteekloop voor kaliber 0.22 gekregen, zodat er flobertpatroontjes (n.b dit is niet de 0.22LR maar de CB Cap, ook wel eikeltje genaamd) mee verschoten konden worden.

Jaarlijks werden 5000 gratis patronen geleverd. Uit de archieven blijkt dat er daarnaast door de schutters zelf ook nog eens 30.000 patronen vervaardigd werden door middel van het herladen van de reeds verschoten patronen. Dit is terug te vinden in de halfjaarlijkse bestellingen voor 15.000 kogels en 25 kilo buskruit, van de ‘beste soort’. Gelet op het ledenaantal dat gedurende deze periode rond de 50 schommelde betekent dat, dat de leden ongeveer 700 patronen per jaar per persoon verschoten op kosten van het rijk. Het herladen heeft waarschijnlijk betrekking gehad op zowel de Beaumonts als de Remmingtons.

 

De Beaumonts zijn tot 1895 in gebruik gebleven bij het Nederlandse leger en daarna vervangen door het M-95 geweer. In Nederlands Indië zijn de Beaumonts nog langer in gebruik gebleven. Dit is ook de enige plaats waar zij, in de Atjeh oorlogen, in de praktijk beproefd zijn. Zij bleken erg betrouwbaar te zijn en dankzij de grote en zware kogel (490 grains) over een grote stopkracht te beschikken.

 

Het Remington Rolling Block geweer

Het Remington Rolling Block geweer was een simpel en zeer stevig enkelschots geweer Het is in Nederland in gebruik geweest bij enkele bijzondere legeronderdelen, in casu de Koninklijke marechaussee en een cavalerieonderdeel. Het kaliber 0.45 was gelijk aan dat van de Beaumonts. De patroonvorm was iets afwijkend van die van de Beaumont. Dit was overigens geen toeval, maar speciaal zo gemaakt voor Nederland om logistieke problemen met de munitie te voorkomen. De patronen waren in één richting uitwisselbaar, dat wil zeggen de Remington patronen pasten gezien de iets kleinere afmetingen wel in de Beaumont, maar omgekeerd ging het niet.

De Remington is in gebruik geweest als legergeweer in o.a Denemarken en Zweden , zij het in met een andere patroonhuls (het kaliber was wel hetzelfde). Alle Rolling Block geweren waren voorzien van het wapen van de vereniging.

Waar de Remingtons gebleven zijn is niet duidelijk. Een aantal is door het opboren van de loop omgebouwd tot jachtgeweer kaliber 0.16. lk zelf ben in het bezit van een dergelijk exemplaar. Deze is te herkennen door dat in de kolf een metalen embleem van de vereniging is ingelegd. Persoonlijk ken ik nog twee originele, dat wil zeggen niet omgebouwde, wapens, ook herkenbaar door het wapen van de vereniging, die in particuliere handen zijn.

De Remingtons zijn zeer lang bij de vereniging in gebruik gebleven. Om precies te zijn van 1868 tot ongeveer 1920. Talloze patronen zijn in die tijd door de lopen gegaan.

De geweren waren zo populair bij de schutters dat er naast de door het Ministerie van Oorlog ter beschikking gestelde patronen er ook nog uitgebreid zelf patronen door de schutters werden gemaakt. Dit blijkt o.a. uit de diverse nota’s voor buskruit, was om de kogels in te vetten. Dit was nodig om het kruitslijm dat bij het verbranden van buskruit vrijkomt zacht te houden zodat het voor het grootste deel bij een volgend schot uit de loop geblazen werd.

De patroon van de Remington Rolling Block. Let op de iets afwijkende maten t.o.v de Beaumontpatroon

 

Het M-95 Hembrug geweer (van 1907 tot 1939)

De M-95 is een ontwerp van Ferdinand von Mannlicher, een beroemde Oostenrijkse ontwerper. Het Nederlandse M-95 geweer week op een aantal punten af van de oorspronkelijke Mannlicher ontwerp. Het kaliber was teruggebracht naar 6,5 mm en er was een aantal andere verbeteringen aangebracht. De Nederlandse M-95 werd zoals het typenummer al aangeeft in 1895 in het Nederlandse leger ingevoerd. Het werd in licentie vervaardigd bij de Nederlandse Artillerie Inrichtingen, beter bekend onder de naam Hembrug. Het was een uitstekend wapen, zeer goed afgewerkt en wat voor het scherpschieten erg belangrijk, is erg zuiver.

Hetzelfde wapen werd ook door Roemenië in gebruik genomen alleen was de patroon hier niet voorzien van een rand (6,5 X 54R) versus 6,5 X 54). Het geweer moet niet verward worden met het Oostenrijkse Modell 95. Dat geweer had een kaliber van 8 mm (8 X 56R) en is voorzien van heel ander grendelsysteem, namelijk een zogenaamd straight-pull systeem zoals ook de Zwitserse Schmidt Rubin en de Canadese Ross bezitten.

Een bijzonderheid van het wapen is dat de clip, waarin vijf patronen zijn opgenomen, een integraal onderdeel van het magazijn is. Het wordt geladen door de complete clip in het magazijn te brengen. Pas als alle patronen verschoten zijn, valt de clip (onderuit) het wapen. Zonder clip kan net als bij de Garand alleen schot voor schot worden geschoten, door iedere patroon afzonderlijk in de kamer te brengen.

Het wapen weegt 4,2 kg en is 1,29 meter lang. Het boogkiepvizier loopt, redelijk optimistisch tot 2000 meter.

Een M-95 met een goede loop is een interessant en goed wedstrijdwapen, helaas zijn er echter nog maar weinig geweren met een goede loop over.

 

De inmiddels overleden voorzitter Gerrit Kruisheer was in het bezit van een M-95 die hij vertroetelde, maar wiens uitgeschoten loop hem ook veel leed heeft veroorzaakt, zoals ik mij kan herinneren uit de zuchtende opmerkingen na een verschoten serie die helaas weer lager uitviel dan verwacht.

De geweren werden in 1940 in beslag genomen door de Duitsers. De vereniging heeft ze helaas nooit meer terug gezien. De wapens zijn door de Duitsers uitgereikt aan eenheden die achter het front opereerden en voor het grootste deel aan de Roemenen, die als bondgenoten van de Duitsers, deelnamen aan de strijd op het oostfront. De Roemenen gebruikten hetzelfde geweer, in hetzelfde kaliber. De Nederlands/Roemeense patroon is uniek. Er bestaat wel een 6,5 mm Mannlicher patroon, maar deze heeft een andere huls zonder rand.

Deze geweren zijn net als hun nieuwe eigenaars over het algemeen niet van het front teruggekomen.

Er werd met de M-95 geschoten op 200 meter en later op 100 meter. Hierbij werd de schijf Loosduinen gebruikt (die eigenlijk voor 150 meter bedoeld was).

We kunnen ons een aardig beeld vormen van de prestaties van de schutters uit die dagen uit de (verplichte) jaarverslagen aan het Ministerie van Oorlog. In deze verslagen werd opgenomen het aantal verschoten patronen en het gemiddelde van alle afgevuurde schoten. In de jaarverslagen ligt dit gemiddelde constant tussen de 7.0 en 7.8.

De M-95 was ook het geweer waarmee het Nederlandse leger in 1940 de Duitse Wehrmacht het hoofd bood. Men leest nog wel eens dat het Nederlandse leger met verouderde geweren ten strijde moest trekken. Dit is echter niet juist. Ook het ontwerp van de Duitse Mauser dateerde van 1898 en beide geweren zijn op dezelfde principes gebaseerd. In de praktijk is het Nederlandse geweer zelfs zuiverder.
Bewijs hiervoor is het feit dat de Duitsers de buitgemaakte wapens onmiddellijk in de bewapening opnamen.

 

De Lee-Enfield Mk.lV (van 1946 tot 1963)

Na de oorlog kreeg de vereniging eerst de beschikking over door de bezetter achtergelaten c.q. in beslag genomen Duitse 98-K karabijnen. Ook munitie hiervoor was in overvloed aanwezig. De regel was toen nog dat gevonden of in beslag genomen munitie niet vernietigd werd, maar door de Politie aan de vereniging geschonken werd om te verschieten.

Na de tweede Wereldoorlog werd het Nederlandse leger met Engelse wapens uitgerust. Ook de vereniging kreeg hierdoor de beschikking over Lee-Enfields Mk. lV. De 98-K geweren vanaf dat tijdstip niet meer gebruikt. Later zijn zij van een nieuwe Schulz en Larsen wedstrijdloop in het kaliber 0.30 (7,62 mm) voor de 0.30-06 patroon voorzien, van andere richtmiddelen voorzien en gebruikt als standaardgeweer. Tot op de dag van vandaag worden zij nog steeds als zodanig gebruikt.

De Lee-Enfield was en is een goed wapen. Uiteraard was te merken dat de meeste geweren een oorlog achter de rug hadden. De kwaliteit van de geweren wilde daardoor nog al eens verschillen. De kolf van de Lee-Enfield is vrij sterk gebogen, dat maakt hem ideaal voor kleine mensen met wat afhangende schouders, voor meer atletisch gebouwde typen is de kolf echter verre van ideaal. Het erelid de heer A.N. van der Hulst werd bijvoorbeeld Nederlands kampioen met een Lee-Enfield, anderen kunnen er absoluut niet goed mee overweg.

Een andere merkwaardigheid van de Lee-Enfield was en is de dunne, geheel door het voorhout omsloten loop. Bij snel schieten wordt de loop daardoor snel heet en beginnen de schoten te spreiden. Rustig schieten is dus het advies. De bijbehorende 0.303 patronen werden gratis verstrekt door het ministerie van Defensie. Er zijn zoveel patronen aangemaakt door de Artillerie Inrichtingen (A.l munitie) dat er nog steeds voorraad aanwezig is.

 

De Lee-Enfield zoals door de Scherpschutters gebruikt is de op één na laatste van een beroemde familie, die het British Empire hebben helpen vormen. De eerste Lee was de Lee-Metford. Lee is de naam van de ontwerper van het geweer. Metford die van de ontwerper van de trekken en velden van de loop. De Lee-Metford werd voor het eerst ingezet tegen de boeren tijdens de boerenoorlogen in Zuid- Afrika. Het wapen was oorspronkelijk ontworpen voor buskruit patronen. Omstreeks deze tijd gingen de Engelsen echter over op moderne patronen, geladen met cordiet. Dit nitro-kruit produceerde een veel snellere verbranding, als gevolg hiervan sleten de ondiepe Metford trekken en velden in de loop zeer snel uit. Er werd toen een nieuw ontwerp gemaakt met een loop met diepere trekken en velden. Dit wapen werd voluit de Short Magazine Lee-Enfield Marklll genoemd, of kortweg SMLE Mk.lll. Enfield was de plaats waar de Engelse bewapeningswerkplaatsen stonden. De mark lll heeft dienst gedaan in de eerste Wereldoorlog en zelfs nog een groot deel van de tweede Wereldoorlog. In de loop van 1943 werd de Mark lV in gebruik genomen. Het was deze Lee-Enfield die gebruikt werd door de Scherpschutters.

In de vijftiger jaren werd een aantal Lee-Enfields omgebouwd op het nieuwe Nato-kaliber 7,62 millimeter. Deze wapens hebben als Scherpschutterswapens voor leger en politie dienst gedaan tot 1989.

Er is nog steeds een aantal schutters die met de Lee-Enfield schieten, waaronder ondergetekende die met het wapen schiet waarmee het erelid van der Hulst in 1954 Nederlands kampioen werd. Maar zo langzamerhand beginnen de lopen wel uitgeschoten te raken.

Een aantal Lee-Enfields is later omgebouwd naar het Natokaliber (7,62 X 51 mm) als scherpschuttersgeweren voor het leger en de politie, onder de naam Lee-Enfield Envoy..

Op dit moment worden deze ook afgedankt en via de wapenhandel aan sportschutters verkocht..

De rol van de Lee-Enfield is daarmee nog steeds niet uitgespeeld.

 

De Garand (van 1963 tot heden)

De Garand volgde de Lee-Enfield al vroeg in de vijftiger jaren op, door de militaire noodzaak voor een semi-automatisch wapen. Het Ministerie van Defensie had inmiddels de gewoonte ontwikkeld, wanneer er een nieuw geweer in gebruik werd genomen om de oude geweren die dan opgeslagen werden aan de schietverenigingen ter beschikking te stellen. Dus toen de Garand in 1963 in het leger vervangen werd door de FAL, werden de Lee Enfields verschroot en de Garands ter beschikking gesteld aan de schutters. De wapens werden vanaf dit tijdstip ook niet meer aan de vereniging uitgeleend, maar letterlijk ter beschikking gesteld. Dat wil zeggen opgeslagen in de wapenkamer van de kazerne, vanwaar zij dan bij iedere schietoefening opgehaald en weer teruggebracht moesten worden.

Ook de bijbehorende 0.30-06 patronen werden niet meer gratis ter beschikking gesteld maar moesten worden betaald. De patroon bleek zich te gedragen als oude wijn; hoe ouder zij werd, hoe duurder zij ook werd. De laatste A.l patronen zijn aangemaakt door de Hembrug in 1963.

De prijs voor de schutters ontwikkelde zich van 8 cent in 1963 tot 65 cent in 1985. Dit alles leidde tot de ontwikkeling dat de meeste leden zich eigen militaire geweren aanschaften, en de Garands nog maar incidentoel gebruikt worden.

Nog steeds worden er in de vereniging wedstrijden gehouden met de Garand. Het zilveren schild, ooit ter beschikking gesteld door het legendarische lid de heer P. Bennink, wordt tot op heden met de Garand verschoten. De geweren beginnen echter dermate slecht te worden dat het scherpschieten steeds moeilijker wordt en de kwaliteit van het geweer meer bepalend wordt voor het puntentotaal dan die van de schutter.

Een eigenaardigheid van de Garand is het laadsysteem. Acht patronen zijn in een stalen clip verpakt. Deze clip met patronen moet als één geheel in het geweer geladen worden. Bij het afgeven van het laatste schot vliegt de stalen clip met een grote boog uit het geweer.

Om de clip te laden moeten met de rechterhand tegelijkertijd het afsluitstuk naar achteren geschoven worden en terwijl dit afsluitstuk open gehouden worden de clip in het geweer geplaatst. Helaas is de afsluitveer bij de Garand erg sterk. Te vroeg loslaten van de afsluiter of een andere onhandigheid leidde er dan ook toe dat de duim of een vinger zeer pijnlijk klem kwam te zitten. De resultaten hiervan werden aangeduid als een “Garand duimpje’. Een van de adspirant grootkaliberschutters werd bij het schieten met de Garand uitgebreid gewezen op dit gevaar. De man verklaarde echter dat hij jarenlang met dit geweer geschoten had en deze adviezen aan hem dus niet bestoeed waren. Helaas, bij de eerste keer laden ging het mis en met een stukje vingertop minder en enige ervaringen rijker ging de man naar huis. We hebben hem nooit meer terug gezien op de grootkalibergeweerbaan.

Op dit moment van schrijven worden de laatste proeven gedaan in de Nederlandse strijdkrachten voor een nieuw geweer in het nieuwe NATO kaliber 5,56 mm (0.223). Bij invoering hiervan zullen de Garands afgevoerd worden en naar verwachting het huidige militaire geweer de FAL ter beschikking gesteld worden aan de schietvereniging.

 

5.2 De Orderbosbaan.

In sterke mate gezichtsbepalend voor het grootkaliber schieten is de ‘Orderbosbaan’ geweest. Op deze baan is van 1967 tot en met 1989 geschoten door de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe.

Deze zeer fraai in in het (Order)bos gelegen baan heeft zich een blijvend plaatsje verworven in het hart van menig grootkaliber schutter. Het argument van 1953 dat er geen gezelligheid op de baan te vinden was is anno 1991 in ieder geval achterhaald. De Orderbosbaan was een wonder van knusheid vergeleken bij de moderne schermenbanen als de ‘Arnhemse heide in Schaarsbergen waarvan de vereniging momenteel gebruik maakt. Een van de redenen van deze knusheid was dat er een kuil aanwezig was waarin dan de schoten ‘aangewezen’ werden voor een collega schutter. In de kuil werden heel wat sterke schuttersverhalen verteld en ook wezenlijke informatie uitgewisseld. De moderne banen missen deze kuilen, zodat er met een baankijker gewerkt moet worden.

Een van bijzonderheden van de baan was dat het onveilige gebied met vlaggen gemarkeerd moest worden. Gezien de Nederlandse angst voor vuurwapens was dit gebied zeer ruim gekozen, zodat het uitzetten van de vlaggen driekwartier fietsen betekende, door mul zand en kleine heuveltjes. Ikzelf heb dit een aantal jaren gedaan, mijn probleem hierbij was mijn geringe lichaamslengte, die mij dwong in een aantal palen te klimmen om daar de rode vlaggen in te kunnen steken. De laatste jaren werd dit gedaan door Jaap Poort. Jaap combineerde een hoog tempo met een hoog lichaamsgewicht. Deze combinatie bleek tot tweemaal toe te veel voor de dienstfietsen, waarvan er één zelfs compleet door midden brak tijdens één van Jaaps cross country ritten.

In 1990 werd de baan gesloten en de grond voor een symbolisch bedrag verkocht aan de Koninklijke marechaussee. De bedoeling was/is hiervan een schermenbaan te maken.

Er zijn echter zowel Hinderwetvergunning als budgettaire problemen, zodat het al met al onzeker is of er ooit nog weer op deze baan geschoten zal worden. Door de tegenstanders van de baan wordt de geluidsoverlast op de baan voor het wild en de vogels vaak aangevoerd.

In werkelijkheid nestelden er vogels in de poorten van de schietbaan, vossen in de kogelvanger en een groot aantal konijnen in het voorterrein die zich niets aantrokken van het lawaai.

In 1990 werd de nieuwe Koninklijke Landmacht schermenbaan ‘Arnhemse heide’ te Schaarsbergen op een aantal zaternamiddagen ter beschikking van de vereniging gesteld. Momenteel wordt hierop nog steeds geschoten in afwachting van de definitieve beslissing inzake de Orderbosbaan.

 

5.3 Petite carabine / klein kaliber geweerschieten

Het kleinkaliber geweer schieten is in deze eeuw zeer populair geworden. In de eerste plaats vindt dit zijn oorsprong in het veel goedkoper en overdekt kunnen schieten met deze wapens en ten tweede is het een uitstekende training voor het grootkaliber schieten. Tegenwoordig heeft het kleinkaliber geweerschieten het grootkaliber geweerschieten volledig overvleugeld. De discipline kleinkaliber geweer 50 meter drie houdingen is zelfs een Olympische discipline, terwijl het grootkaliber schieten hier volledig van het programma geschrapt is.

Het kleinkaliber geweer schieten vindt plaats op drie afstanden 12 en 50 meter en incidenteel 100 meter. Voor het op 12 meter schieten beschikt de vereniging over een aparte ruimte met 10 banen. Het 50 en 100 meter schieten is alleen mogelijk op de buitenbaan.

Het klein kaliber geweerschieten is het onderdeel bij uitstek voor de precisieschutter.

Alle bijkomende problemen voor een grootkaliber schutter, zoals wisselend licht, sterke wind, regen en sneeuw, zijn er niet op de overdekte binnenbaan.

Daarnaast zijn de wedstrijdwapens dermate geperfectioneerd dat ieder schot een ‘tien’ is als de schutter het goed doet. Meestal doet deze dit niet zodat het kleinkaliber schieten in de eerste plaats een gevecht is tegen de schutter zelf. Concentratie gekoppeld aan ontspanning zijn hier de sleutelwoorden.

 

5.4 pistoolschieten

In de vorige eeuw werd het pistool of de revolver in de eerste plaats beschouwd als een verdedigingswapen en niet als een sportwapen. Hoewel de eerste pistoolwedstrijden gericht op precisie rond 1892 in Duitsland plaats vinden, duurt het nog tot 1932 tot het precisieschieten ook doordringt in Nederland en in de vereniging.

De eerste wedstrijden worden gehouden met de M-35 legerrevolver met het kaliber 10 mm. Daarnaast werd er veel geschoten met de beroemde 9 mm Luger die o.a in het KNIL werd gebruikt en zich in een grote populariteit bij de burgerschutters mocht verheugen. Incidenteel werd er ook gebruik gemaakt van het pistool M.25. Dit is het FN pistool model 22 ingericht voor de patroon 0. 380 acp, beter bekend onder de aanduiding 9 mm kort.

Deze pistolen werden in bruikleen verstrekt door het leger, maar men was dermate zuinig op de wapens waardoor de leenvoorwaarden zeer stringent waren (niet meer dan 5 patronen per man verschieten i.v.m de slijtage aan de wapens), dat de meeste schutters de voorkeur gaven aan de verenigings- of eigen wapens.

In de eerste Schuttershof kon alleen klein kaliber pistool geschoten worden, In de nieuwe Schuttershof staan er tien 25 meter banen ter beschikking voor alle kalibers van 0.22 LR tot 0.45.

De vereniging heeft altijd beschikt over goede pistoolschutters.

Zowel in teamverband als individueel heeft de vereniging Nederlandse kampioenen afgeleverd.

Er wordt tegenwoordig ook veel meer geschoten dan vroeger. Er kan drie avonden per week, plus de zaterdagochtend pistool worden geschoten. Het afgeven van 50 schoten per oefenbeurt is ook Vrij normaal geworden. Een eenvoudig rekensommetje wijst dan uit dat er per week zo’n vijfduizend patronen verschoten worden, ofwel zo’n 250.000 per jaar. Ter vergelijking in 1936 werden er in het hele jaar 2000 pistool/revolver patronen verschoten. Uiteraard heeft de baan en dan met name het schijventransport en de kogelvanger veel te lijden van een dergelijk intensief gebruik.

In 1990 zo’n twaalf jaar na de opening van de banen was een grondige renovatie dan ook al weer noodzakelijk. Ook deze keer heeft een vaste kern van schutters vele, vele uren besteed op de banen maar nu niet om te schieten.

Een van de problemen was dat het zand voor de kogelvanger ontdaan moest worden van miljoenen (!) kogels. Hiertoe moest het zand gezeefd en omgezet worden. Om dit werk ook in de toekomst makkelijker te kunnen uitvoeren is een aparte ‘achteringang’ op de banen gemaakt, zodat de kogelvanger makkelijker bewerkt kan worden.

 

5.5 Kruisboogschieten

 

De vereniging heeft naast de diverse vuurwapendisciplines letterlijk nog meer pijlen op haar boog. Ook het kruisboogschieten maakt deel uit van de grote variatie aan schietdisciplines die onze vereniging rijk is. Dit is des te interessanter aangezien de oorsprong van de Schutterijen in het kruisboogschieten ligt. De eerste kruisboogschutters, in de tijd aangeduid als voetboogschutters, organiseerden zich in ‘schuttersgilden in de veertiende eeuw. Over het algemeen werden zij aangeduid naar hun schutspatroon Sint Joris (de doder van de draak) als het St. Jansgilde. Pas in de vijftiende eeuw komen er aparte (en lager in aanzien staande) gilden voor handboogschutters; de Sint Sebastiaansgilden. In de zestiende eeuw gaan deze gilden met de komst van de vuurwapens op in de klovenèersgilden. Het woord klove is afkomstig van het latijnse coluber wat adder betekent. Het woord klover werd later verbasterd tot kolf. In het kloveniersgilde werd geschoten met het roer of de haakbus, beide vuurwapens. Uit louter sportieve overwegingen bleef men echter tot in de 19e eeuw ook boogschieten.

In Apeldoorn bestond de boogschietafdeling ‘Koningin Sophia’ als onderdeel van de rustende Schutterij. In de beginperiode van de vereniging zijn er nog leden die zowel lid zijn van Koningin Sophia als van de Scherpschutters. In 1890 houdt de vereniging Koningin Sophia op te bestaan. Hoe nauw de banden tussen ‘Koningin Sophia’ en de Koninklijke Scherpschutters zijn geweest, bewijst een kist met een handboog en pijlen die door de Scherpschutters aan de stichting Felua geschonken werd en nu in het historisch museum Marialust ligt opgeslagen. Deze handboog is afkomstig van de vereniging Koningin Sophia en is oorspronkelijk uitgereikt door Koningin Sophia als prijs.

De kruisboog was en is een indrukwekkend wapen voor wat betreft zijn precisie en doorslagkracht. De reikwijdte van de kruisboog is zo’n 200 meter. De zware korte pijl, de bout geheten, was in staat tot op vijftig meter afstand een harnas te doorboren.

De kruisboog mag qua uitvoering gezien worden als een kruising tussen een boog en een geweer, waarbij de boog kruiselings op de kolf is bevestigd. De uitvoeringsvorm zoals door ons gebruikt wordt, vindt z’n oorsprong in de Belgische precisieboog.

Al ruim driehonderd jaar is dit model populair in en rond België voor het schieten op doelen. De boog wordt derhalve dan ook aangeduid als traditionele kruisboog waarmee over een afstand van 10 meter geschoten wordt.

Het initiatief tot de oprichting van een kruisboogdiscipline stamt uit 1986, het jaar waarin de eerste plannen vorm kregen. Het eerste tastbare feit hiervan was een kruisboog, vervaardigd door de heer Anten Hurenkamp, voor de toenmalige voorzitter de heer Gerrit Kruisheer. Na dit eerste initiatief bleef het toch nog stil totdat op 6 januari 1989 de deuren definitief geopend werden en daarmee de schietvereniging een schietdiscipline rijker geworden was. Sinds die eerste vrijdagavond is het kruisboogschieten een onlosmakelijk deel van de schietavonden op vrijdag geworden.

Een schietbeurt bij het 10 meter traditioneel kruisboogschieten bestaat uit een serie van 2 maal 10 schoten die in staande houding verschoten wordt. Was in het begin het korpsgemiddelde nog 175 punten na enige jaren ligt dit gemiddelde op 185. Hieruit blijkt dat in deze jongste schietdiscipline met voortvarendheid gewerkt wordt aan het gestalte geven van onze sport.

Passend bij deze groei is dan ook om in 1991 toe te treden tot de Nederlandse Kruisboog Bond. Mede hierdoor is het mogelijk geworden om onze krachten met die van andere verenigingen te meten. De meeste schietverenigingen zijn voor wat betreft Gelderland gesitueerd in het rivierengebied tussen Arnhem en Nijmegen, hetgeen ons nog steeds in een uitzondering positie plaats voor de Veluwe.

 

Het schieten op een kruisboogwedstrijd heeft een extra charme doordat een groot aantal verenigingen deel uitmaakt van een traditionele Schutterij wat toch een geheel eigen sfeer met zich mee brengt.

In het eerste wedstrijdjaar (1991) werd een tweetal korpsprijzen behaald waarbij zelfs een derde prijs die tijdens de nationale kampioenschappen in Groesbeek werd behaald.

 

5.6 De overige disciplines

Naast het klein- en grootkaliber geweer en -pistool schieten wordt er in de vereniging ook een aantal andere disciplines beoefend. Dit zijn:

Kleiduivenschieten.

Gedurende een korte periode (1967 tot 1974) heeft de vereniging ook kleiduiven geschoten. Deze activiteit moest echter gestaakt worden omdat het schietterrein (Nieuw Millingen) werd verkocht en ondanks naarstig speuren geen nieuw terrein kon worden gevonden.

Jeugdafdeling, bedrijfscompetitie en het scholierentournooi.

Om een topschutter te worden is veel ervaring, dus veel schieten en vooral op jeugdige leeftijd beginnen noodzakelijk. Een uitvloeisel van deze gedachte was de vereniging ‘de Kroonprins’. Later zien we dat het jeugdschieten in het slop begint te raken. Pas in de tachtiger jaren van deze eeuw wordt de draad weer opgepakt. Dit is met name aan de huidige secretaris Arnold Vaassen te danken. Jarenlang heeft hij de jeugd begeleid en gecoached.

Aangezien de Nederlandse wet vereist dat men achttien jaar oud moet zijn voor het schieten met vuurwapens, is voor de jeugd gekozen voor het leren schieten met het luchtgeweer.

De techniek en de moeilijkheidsfactor zijn hetzelfde als bij het schieten met een kleinkaliber geweer, zodat er een goede basis gelegd kan worden voor het desgewenst later overstappen op het klein- of grootkaliber geweer.

Om bekendheid te geven aan het schieten en nieuwe jeugdleden te winnen, wordt sinds 1983 ieder jaar in de kerstvakantie een tournooi gehouden met luchtbuks en kleinkaliber geweer voor de scholieren van het middelbaar onderwijs. Dit was een initiatief van het erelid H. Ringeling en later voortgezet door Jaap Poort en Henk Stegman.

De belangstelling hiervoor is nog steeds groeiend. In 1991 nam een record van 119 scholieren en 7 docenten deel aan het tournooi.

Voor de volwassenen wordt om dezelfde redenen ieder winterseizoen een bedrijfscompetitie verschoten tussen een aantal Apeldoornse bedrijven.

 

Het parcoursschieten.

Als nieuwe vorm van sportschieten is de laatste jaren het parcoursschieten opgekomen.

In de vereniging is het parcoursschieten rond 1984 ontstaan. De factoren waarbij het omdraait bij het parcoursschieten zijn behoedzaamheid, kracht en snelheid, ofwel in het Latijn Dilligentia, Vis, Celentas. Dit is dan ook het motte van de parcoursschutters in de vereniging. Bij het parcoursschieten wordt gebruik gemaakt van groot kaliber handvuurwapens. De schijven zijn van 2 cm dik staalplaat gemaakt (de zogenaamde steelplates), wegen 20 kilo en zijn zodanig geconstrueerd dat zij omklappen als zij goed geraakt worden. Goed geraakt wil zeggen dat de kogel voldoende energie heeft om de schijf om te werpen (alleen groot kaliber patronen voldoen hier aan) en dat schijf in het midden en/of bovenaan moet worden getroffen. Er kan dus niet geschoten worden met zwakke schijf ladingen zoals bij het precisieschieten wel de gewoonte is. In tegendeel hoe zwaarder en sneller de kogel is hoe meer energie er aan de schijf wordt afgegeven. Er wordt dan ook alleen met groot kaliber pistool of revolver geschoten vanaf het kaliber 9 mm para en zwaarder. Favoriete kalibers zijn 0.45 ACP en 0.44 magnum. De schutter staat alleen tegenover 6 steelplates op 10 meter afstand Na een geluidssignaal s het de bedoeling de schijven binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek om te schieten.

Het aantal patronen hierbij is onbelangrijk. Wel mogen er niet meer dan zes patronen in het magazijn gevoerd worden, zodat er bij een misser herladen moet worden. De laatste schijf is een kleine ronde schijf op 20 meter die ook omgeschoten moet worden, die dan de tijdmeter stept. Varianten op dit principe zijn o.a het ‘bowling pin’ schieten waarbij een aantal bowlingpins zo snel mogelijk van een tafel moet worden geschoten.

Daarnaast zijn er nog allerlei varianten die het schieten nog moeilijker maken door plotseling schijven te laten opkomen waarop wel of niet geschoten mag worden etc.

Het parcoursschieten is zeer dynamisch. De wapens die gebruikt worden zijn zelden standaard wapens. De meeste wapens zijn ‘getuned’, waarbij de trekkerdruk teruggebracht is, zij voorzien van compensaters op de loop om de opslag te verminderen en een hoop andere details. Een kant en klaar parcourswapen kost gauw rond de fl. 4000,-. Er zijn twee wapengroepen pistool en revolver. Het revolverschieten heeft bij dit onderdeel de extra handicap dat er in verband met de noodzakelijke snelheid ‘double-action’ geschoten moet worden, d.w.z. dat het spannen van de haan en het afdrukken in één beweging worden gedaan. Om hierbij precisie te bereiken vergt veel oefening.

In 1985 organiseerde de vereniging haar eerste bowling pin wedstrijd. Dit was een groot succes. Als gevolg hiervan begon het parcoursschieten nu echt door te zetten. In 1986 werd de baan aangepast met stalen schijven voor het echte parcoursschieten en werd de eerste wedstrijd gehouden. De vereniging sloot zich aan bij de Nederlandse Parcours Schutters Associatie (NPSA) en nam met redelijk succes deel aan wedstrijden.

Bij de pistoolbaan renovatie in 1990 werden er extra aanpassingen gemaakt voor het parcoursschieten.

Zo werd de eerste tien meter van de baan voorzien van een houten vloer zodat de schutters zich beter en sneller konden bewegen. Hierdoor konden er nieuwe stages worden geschoten, onder andere het duel schieten c.q het man tegen man schieten. Hierbij staan twee schutters naast elkaar en moeten gelijktijdig hun doelen omschieten. Degene die dit het snelst doet is de winnaar. Het

parcoursschieten is een van de snelst groeiende disciplines binnen de schietsport en in de vereniging.

In de Verenigde Staten van Amerika zijn dit soort wedstrijden al veel langer populair. Met name de uit de politieopleiding afkomstige l.P.S.C oefeningen zijn daar tot standaard wedstrijdvorm verheven.

Het zijn de internationale kontakten die dit soort wedstrijden extra aantrekkelijk maken. In 1992 staat in het kader van het 125 jarig bestaan van de vereniging de ‘zevende stoel target shooting’ op het programma.

 

Historische wapens

Onder historische wapens worden die wapens verstaan die voor 1878 vervaardigd c.q ontworpen zijn en bedoeld waren voor buskruit. Oorspronkelijk kwamen hier alleen originele antieke voor in aanmerking, later wordt door de grote belangstelling voor dit, soort wapens en het geringe aanbod de productie van deze modellen weer op gang gebracht. Dit zijn dan de zogenaamde replica’s.

Momenteel worden vrijwel uitsluitend replica’s gebruikt.

Het schieten met historische wapens wordt meestal gedaan door schutters die zich aangetrokken voelen door de hele sfeer van de periode waarin deze wapens gebruikt werden. Het is dan ook een discipline die niet gekenmerkt wordt door high tech wapens maar door de sfeer er omheen. Veel schutters verkleden zich als cowboy, trapper, indiaan of soldaat uit deze periode. Er worden ieder jaar een drietal weekenden georganiseerd voor het onderdeel historische wapens, waarbij een compleet kamp wordt opgeslagen dat gedurende het hele weekeinde bevolkt wordt door een bont uitgeruste schare schutters.

In de vereniging zijn diverse schutters die zich met dit onderdeel bezig houden. De meest succesvolle zijn Ria en Louis Endlich en Bob Scholten die beide respectievelijk tweede bij de Nederlandse kampioenschappen en districtskampioen op het onderdeel percussierevolver zijn geworden.

De discipline historische wapens kent een groot aantal onderdelen, die gesierd zijn met namen van typen wapens of beroemde Wapensmeden.

Dat de ontwikkelingen snel gaan bewijst dat de geweren die oorspronkelijk door de vereniging gebruikt werden voor het precisieschieten (het M 1815 geweer, de Beaumont en de Remington Rolling Block), nu alle drie gekwalificeerd worden als historische wapens.

Met historische wapens kan bij de vereniging geschoten worden op de 25 meter binnenbaan en op de buitenbaan voor de 25, 50 en 100 meter onderdelen. De vereniging is zeer actief geweest in het organiseren van wedstrijden voor de historische wapens, mede omdat de baan en de hele ambiance van het orderbos hier uitstekend voor geschikt waren. Door het wegvallen van deze gelegenheid zijn ook de activiteiten hier duidelijk minder geworden. Hetgeen nogmaals een bewijs is dat een goede accommodatie voor een schietvereniging van levensbelang is.

Het merendeel van de historische wapens zijn voorladers, dat wil zeggen dat ze via de loop geladen moeten worden. Dit laden is een arbeidsintensieve en precieze procedure.

In het geval van de afgebeelde voorlaadrevolver bijvoorbeeld, moet er een zorgvuldig afgewogen hoeveelheid kruit in de zes kamers van de cylinder gegoten worden, daarna de kogels op het kruit geplaatst, de overblijvende ruimte van de kamers moet dicht gesmeerd worden met een vetsoort en tenslotte moeten de slaghoedjes op nippels van iedere kamer geplaatst worden. Het afsmeren van de kamers met vet heeft twee doelen, ten eerste het soepel houden van het kruitslijm dat vrijkomt bij het verbranden van buskruit en ten tweede het voorkomen dat bij het afgaan van het eerste schot door de vlam ook het kruit in de andere kamers ‘spontaan’ tot ontbranding komt en alle zes schoten tegelijk afgaan.

Voor dit vet worden allerlei speciale recepten door de schutters bedacht, maar de meeste mengsels zij net als vroeger gebaseerd op bijenwas en dierlijk vet.

Buskruit ook wel zwartkruit genoemd is een heel ander materiaal dan het moderne rookloze kruit. Buskruit is zeer makkelijk ontbrandbaar en produceert daarbij veel rookwolken en een karakteristieke zwavellucht. Deze lucht is echter voor de fans verleidelijker dan Chanel no. 5.

 

Het moderne rookloze kruit is meestal gebaseerd op genitreerde cellulose en is daardoor rook- en geurloos, het is bovendien veel moeilijker te ontsteken.

Een beginnend zwartkruitschutter, we zullen geen namen noemen, had veel ervaring met moderne pistolen met normale patronen en beschouwde het verhaal over het afdichten met vet van de kamers als iets folkloristisch. De kamers werden immers helemaal opgevuld door de kogels, zodat de mondingsvlam nooit bij het buskruit in de andere kamers kon komen, zo was zijn redenatie. Dus bij zijn eerste schietbeurt met het onafgesmeerde wapen legde hij aan, schoot en keek vervolgens verbijsterd naar de loop van het wapen die tien meter verder lag. Alle zes schoten waren tegelijk afgegaan, waarbij een kogel zo hard tegen het frame was geslagen dat de loop losvloog.

De betreffende schutter zweert tegenwoordig bij het afsmeren, met uiteraard zijn eigen zorgvuldig samengestelde vetmengsel, maar de bij het incident aanwezige collegaschutters gaan toch nog steeds een paar meter verderop staan als hij gaat schieten.

 


De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe ( KSvdV ) is lid van de Koninklijke Nederlandse Scherpschutters Associatie ( KNSA)

 
            


Copyright © 2001/2003 K.S.v.d.V. Alle rechten voorbehouden.
Opmerkingen over deze website kunt u sturen aan webmaster@ksvdv.nl

This page is best to be viewed on a monitor