De Koninklijke Jaren

     

 

   

Voorwoord
Inhoudsopgave
Inleiding
De Koninklijke Jaren
Heren van stand
Typisch Apeldoorns
De nieuwe tijd
De wapens en de sport
Bijlagen
Sitemap

DE KONINKLIJKE JAREN (1867 tot 1894)

1.1 De Schutterijen in Nederland

De schietsport in Nederland is voortgekomen uit de Schutterijen. Anders dan velen menen zijn de Schutterijen nooit een verlengstuk geweest van het leger. Het ‘Staatse' leger heeft zoals het voorvoegsel al aangeeft altijd onder de controle gestaan van de diverse gewesten, die samen de Republiek der Verenigde Nederlanden vormden. In de Republiek der Verenigde Nederlanden was het bestuur sterk gedecentraliseerd. De steden waren voor een groot deel autonoom. Daarom had elke stad een eigen Schutterij, die er in de eerste plaats voor was de stad in een oorlogssituatie te verdedigen. Alleen in de garnizoenssteden was het anders. Daar werd de stad (die altijd van strategisch belang was) in de eerste plaats door het garnizoen van het Staatse leger verdedigd. Maar zelfs in een garnizoensplaats bestond er daarnaast ook nog een Schutterij die hielp bij de verdediging en de ordehandhaving. Een goed voorbeeld hiervan vinden we in Deventer, waar garnizoen en Schutterij naast elkaar bestonden.

Daarnaast was de Schutterij het antwoord van de gegoede burgerij op de gevoelde noodzaak de eigen stad te kunnen verdedigen tegen het grauw en rondtrekkende benden. Zo werden de welvarende burgers van een stad verplicht deel te nemen aan de Schutterij. In Zutphen bijvoorbeeld moest iedere burger die aangeslagen was in de belastinggroep van fl.50,- per jaar de beschikking hebben over een volledig harnas (later een haakbus) en iemand uit de belastinggroep tot fl.25,- een borstschild en een stormhoed. Na 1648, met de vrede van Munster, begonnen de Schutterijen sterk te verlopen.

De macht in de Republiek was in handen van de regentenfamilies. De Schutterij, en dan met name de officieren, kwamen voort uit de sociale laag net onder de regenten. Doordat zij echter niet belangrijk genoeg waren om door te kunnen dringen tot de regentenfuncties, stonden zij kritisch ten opzichte

Zeventiende eeuwse schutter met haakbus. De haakbus heette zo, omdat hij tijdens het afvuren ergens achter gehaakt werd. Meestal in een vork, zoals op deze afbeelding.
Aan de hoed met de veren kunnen we zien dat het een ongegradueerde schutter betreft.
De haakbussen werden afgevuurd met behulp van een lontslot.

van het stadsbestuur en de andere bestuurders. Zo werden in de 18e eeuw de Schutterijen een politiek instrument. In de woelingen in die eeuw (1747 en 1795) kozen de Schutterijen partij. Meestal tegen de regenten. Waren deze ‘oranjegezind’ dan was de Schutterij ‘patriottisch’ en omgekeerd. In tijden van onrust worden er vanuit de Schutterij ‘eisen’ gesteld aan het bestuur met betrekking tot een grotere mate van democratisering. Daarom pleitte de Zutphense patriot Joan Derk van der Capellen tot den P01 in 1781 voor een volksleger (samengesteld uit de Schutterijen) naast het staatsleger. Dit om de vrijheid van de steden en burgers tegen het steeds sterker wordende centrale gezag van de Stadhouder in stand te kunnen houden. Het volksleger kwam er niet, maar wet verenigden de activistische patriotten zich in eigen Weerbaarheidsverenigingen met een sterk exclusief karakter. Dit karakter kwam tot uitdrukking in de voorwaarden voor het lidmaatschap, onafhankelijk en liberaal denken (dit kwam dan voornamelijk tot uitdrukking in het NIET ‘regentengezind’ zijn en van adel en/of financieel onafhankelijk zijn).

Met de Pruisische inval in 1787 werden deze Weerbaarheidsverenigingen verboden. Het antwoord hierop was het ‘ondergronds’ gaan van de verenigingen, in zoverre dat een aantal van de exclusieve verenigingen zich omvormde van een Weerbaarheidsvereniging in een schiet- en jachtvereniging en zodoende toch bleef voortbestaan. Een goed voorbeeld hiervan was het Utrechtse ‘Le petit St. Hubert. Saillant detail is dat Koning Willem de Derde hiervan in 1863 lid wordt.

Tijdens de Bataafse republiek werden in 1796 ook de Schutterijen opgeheven, door ze simpel weg in te lijven in het Bataafse volksleger. Maar al in 1815 werden de Schutterijen opnieuw, zij het voorlopig, opgericht in gemeenten met meer dan 25000 inwoners.

In 1827, op aandrang van Koning Willem de Eerste, werd de Schutterij wettelijk geregeld. In een stad boven de 5000 inwoners moest de Schutterij opnieuw ‘met kracht ter hand worden genomen’, naast het leger.

De dienst van de schutters bedroeg zeven jaar, er werd echter per jaar niet meer dan 32 uur geoefend. Per honderd inwoners diende zo’n gemeente twee ‘vrijwilligers’ te leveren, die zich in het wapenvak bekwaamden en een voorbeeld moesten zijn voor het volk. De taak van de Schutterijen was die van ‘voor den algemeenen burgerplicht in tijden van nood'. In, plaatsen zoals Apeldoorn, die minder dan 5000 inwoners hadden werd de Schutterij alleen op papier georganiseerd. Dit was de zogenaamde ‘rustende Schutterij’ . De schutters (tussen de 21 en 31 jaar werden aangewezen door een plaatselijke commissie. Zij die niet aangewezen werden moesten, net als vrouwelijke gezinshoofden, jaarlijks een bedrag storten in de contributiekas van de Schutterij. Had men na aangewezen te zijn bezwaren tegen het dienen dan kon men in beroep gaan bij de plaatselijke commissie. Indien het beroep gegrond werd verklaard dan moest men gedurende de jaren dat men schuttersplichtig was een extra bedrag in de contributiekas storten. Dit bedrag kon oplopen tot 700 gulden per jaar, afhankelijk van de financiële positie van de persoon, dit was in die tijd een aanzienlijk bedrag. Plaatsvervangers (remplaçanten) waren in tegenstelling tot het leger niet toegestaan.

Het probleem met de Schutterijen na 1815 is altijd geweest het niet kunnen krijgen van goede officieren. Voor 1795 was in de gedecentraliseerde Nederlanden het officierschap in de Schutterij de eerste stap op weg naar een carrière in het overheidsapparaat. Na 1815 is dat in het dan sterk gecentraliseerde Nederland niet meer het geval. Dit nam de motivatie bij de hogere standen weg, zodat ze liever een financiële bijdrage betaalden dan dienst te doen. Uitzonderingen hierop vormden plaatsen waar veel gepensioneerde legerofficieren woonden zoals Apeldoorn en Den Haag.

Apeldoorn was helemaal de regel die de uitzondering bevestigde, een goed gemotiveerd officierskorps met ongedisciplineerde schutters. Ongedisciplineerd moet overigens niet verward worden met ongemotiveerd. Of om de Apeldoornse schutter Hulleman aan te halen die een berisping kreeg wegens het verschijnen op klompen bij een exercitie: ‘dat is toch allemaal poppenkast, als mijn sabel (deze was ‘bevrijd’ van de Fransen) maar goed scherp is.

Zeventiende eeuwse onderofficier van de Schutterij met stormhoed en haakbus. Hij maakt al geen gebruik meer van afgewogen hoeveelheden kruit in papier gewikkeld, maar van een kruithoorn.

Men moet overigens de militaire kracht van de Schutterijen niet onderschatten. Tijdens de tiendaagse veldtocht in 1830 bestond het Nederlandse leger uit 38.000 manschappen, waarvan 14.000 uit de Schutterij. Volgens de annalen uit die tijd waren de schutters de meest gemotiveerde militairen. Vooral het Gelderse regiment deed een Franse generaal die de Belgen terzijde stond en die nog had deelgenomen aan de slag bij Waterloo uitroepen dat zij (de Gelderse schutters) hem deden denken ‘aan die vreselijke Pruissen’.

Ook bij de ordehandhaving in Amsterdam (palingoproer) en Hilversum traden de Schutterijen efficiënt en snel op.

Het gebrek aan goede leiding bleek echter op de duur toch dodelijk te zijn voor de Schutterijen. In 1898 werd besloten ze (volgens goed Nederlandse gewoonte op grond van de kosten) op te heffen, wat in 1907 uiteindelijk leidde tot een roemloos einde. Hun rot werd overgenomen door de vrijwillige Landweer. Deze omvatte echter maar 80.000 man terwijl de Schutterijen 130.000 man sterk waren geweest.
De officieren kregen de gelegenheid aangeboden over te gaan naar de landweer. Daar deze echter volledig onder controle stond van het leger en gezien werd als een tweede rangseenheid namen weinigen deze stap. De nog bestaande Schutterijen in 1907 (o.a. Amsterdam en Leeuwarden) droegen op 1 augustus na afloop van een plechtig defilé hun vaandels over aan de burgemeester.

Apeldoorn heeft voor 1796 een bloeiende Schutterij gekend, zo hebben er drie ‘Oranje vendels’ bestaan. Dit is opvallend gezien de geringe omvang en het inwonersaantal van Apeldoorn. De Schutterij was sterk geconcentreerd op en gestimuleerd door de aanwezigheid van paleis het Loo en de Koning(en). Dat wil zeggen dat de Schutterij in Apeldoorn sterk oranjegezind was en geen rol speelde in de machtsstrijd van die tijd.

Na 1812 heeft er geen actieve Schutterij meer bestaan. Er was wel een ‘rustende Schutterij’ onder commando van de Ridder van Rappard, maar deze is slechts één keer actief geweest. In 1813 wordt zij opgeroepen om Deventer, waar nog steeds een Frans garnizoen gelegerd was, te helpen bevrijden. Alle schutters met een wapen worden verzocht aan te treden en de overigen die geen wapen bezaten moesten zich wapenen met zeisen en dorsvlegels. Er komt inderdaad zo’n 60 man bijeen. Met de waarschuwing niet te stoutmoedig op te treden en zeker geen courage uit de jeneverfles te putten worden ze op verkenning gestuurd richting Deventer. Het Franse garnizoen hoort ervan en trekt erop af. Onmiddellijk herinneren de meeste schutters zich dat zij thuis nog dringende bezigheden hebben en de hele Schutterij valt uit elkaar. Waarbij wederom geconstateerd moet worden dat de officieren de eerste zijn die de benen nemen. De rustende Schutterij is vanaf dat tijdstip echt rustend. Voor het handhaven van de openbare orde moet worden teruggevallen op het garnizoen en de Schutterij van Deventer. Er zijn nog wel twee gelegenheden waarbij de rustende Apeldoornse Schutterij zich als geheel aanmeldt als vrijwilliger, en wel in 1815 (Stag bij Waterloo) en in 1830 (Tiendaagse veldtocht) maar in beide gevallen wordt geen gebruik gemaakt van de Apeldoornse schutterij.

Ook bij de heroprichting van de Schutterijen in 1827 is Apeldoorn veel te klein (de grens was 25.000 inwoners) om de rustende Schutterij te doen herleven. Rond 1867 sprak men nog steeds over Apeldoorn bij het Loo, in plaats van het Loo bij Apeldoorn.

Apeldoorn begon echter wel te groeien in deze periode door het zich hier vestigen van Nederlanders die in de koloniën rijk geworden waren en zich hier terug trokken. Ook de opkomende (bescheiden) industrie deed het dorp groeien. Ook de Schutterij groeide, op papier, mee. In 1860 kende de Apeldoornse Schutterij drie afdelingen (ban geheten). De eerste ban bestond uit mannen zonder kinderen. De tweede uit mannen met kinderen, die echter hun gezin makkelijk(er) konden verlaten. De derde ban werd gevormd door de huisvaders met kinderen die (financieel) niet gemist konden worden door hun gezin. Dit waren voornamelijk dagloners. Hoewel de Schutterij bedoeld was voor alle rangen en standen voldeed de Apeldoornse Schutterij hier niet aan. In een brief aan de Gelderse staten verdedigt het gemeentebestuur zich als volgt: ‘dat tot het designeren van enige Landarbeiders is overgegaan, als met alle mogelijke omzichtigheid en nadat men alle de hoogere classen was afgelopen, en uit dezelve het vereiste aantal manschappen niet had kunnen doen vinden’.Het begrip ‘enige’ was een understatement want volgens de Gelderse staten bestond de Apeldoornse Schutterij louter uit ‘arbeiders, ambachtsgezellen en dier tot de minvermogende en geringste klasse van ingezetenen behorende’.

Ook de gemeente bleef in gebreke. De schutters moesten namelijk hun eigen uniform kopen, behalve als zij onvermogend waren. In dat geval moest de gemeente voor een uniform zorg dragen. In 1866 telde de Apeldoornse Schutterij 70 schutters,. vrijwel allen onvermogend. De gemeente stelt dat het uniform (zonder schoenen) ad fl. 20,- voor deze schutters met de tamboeruitrusting en dergelijke een totaalbedrag van fl. 2103,70 gaat belopen ‘hetwelk de gemeentekas niet kan bekostigen’.

Hierin stond Apeldoorn niet alleen. Volgens een onderzoek in 1866, uitgevoerd door een staatscommissie, stelde de Schutterij, met uitzondering van die in de grote steden, niets voor.

In 1899 wijst een telling van het aantal manschappen in de eerste ban van de actieve Schutterijen uit dat alleen de steden in Gelderland een vuist kunnen maken. De aantallen manschappen zijn:

Deventer 3 eerste bannen met totaal 325 schutters
Zutphen 3 eerste bannen met totaal 273 schutters
Arnhem 4 eerste bannen met totaal 497 schutters.

Ook werd het door de Europese ontwikkelingen, met name de opkomst van Pruissen, steeds duidelijker dat er een geregeld en groter leger, gebaseerd op de dienstplicht moest komen. Bij Koninklijk Besluit van 12 mei 1867 werd door de Staat wapens en munitie verstrekt aan de Schutterijen met het doel de leden in het hanteren van de wapenen te bekwamen en ook de minder draagkrachtigen te laten oefenen. Dit lijkt vreemd, maar inderdaad hadden de meeste Schutterijen na 1827 geen vuurwapens. Zoals reeds eerder gesteld moesten de schutters (c.q de gemeente) hun eigen wapens aanschaffen. Doordat de gegoede burgers ditmaal verstek lieten gaan, hadden de meeste schutters die deel uitmaakten van de Schutterijen geen geld voor vuurwapens. In Apeldoorn wordt de vaardigheid in de wapenen door de schutters op peil gehouden door het schieten met de handboog. Daarnaast worden er overal in het land Weerbaarheidsverenigingen in het leven geroepen, met de bedoeling de leden te oefenen in de omgang met wapens (lees geweren); de zogenaamde omgang met den wapenhandel. In deze periode zijn de tegenstellingen tussen pro- en contra oranje al lang verdwenen, zodat er korte tijd naast elkaar bestaan; het geregelde leger, de Schutterijen, de Weerbaarheidsverenigingen en de exclusieve verenigingen voor het ‘juist’ schieten en het jagen.

De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe zijn niet rechtstreeks voortgekomen uit de Apeldoornse Schutterij, maar uit de combinatie van twee dingen; de belangstelling van Koning Willem de Derde voor ‘den wapenhandel’ en de ‘onrustige tijden. Na ongeveer 1840 werd het verschijnsel oorlog in Nederland als een afgedaan verschijnsel beschouwd. De oorlogen die nog plaats vonden waren ver weg of werden gevoerd ‘door onbeschaafde naties’. Rond 1866 wordt Nederland door de politieke ontwikkelingen echter ruw wakker geschud. Het zijn deze ontwikkelingen die men eufemistisch aanduid als de onrustige tijden, die overal in het land de belangstelling voor de landsverdediging weer doen opleven.

Die onrustige tijden vonden hun oorsprong in het opkomen van Pruissen als een agressieve militaire supermacht en de opkomst van een verenigd Duitsland. Met name de oorlogen tegen Denemarken in 1864, eindigend met het annexeren van Sleeswijk-Holstein, en die in 1866 tegen Oostenrijk leidden tot veel beroering in Nederland.

Of zoals geschreven in de troonrede van 17 september 1866. ‘Onze betrekkingen tot de buitenlandsche mogendheden hebben steeds de blijken gedragen eenergewenschte wederzijdsche goede verstandhouding. Hoe bevredigend deze verklaring zijn moge, in dezen veelbewogen en ernstigen tijd, behoort ons volksbestaan, naast God, in zich zelf zijn hechsten steun te vinden. De oprichting van vrijwillige vereenigingen tot gemeenschappelijke oefening in den wapenhandel heb ik als blijk van den nationalen geest met genoegen gezien’

De Koning liet het hier niet bij. Mede als gevolg van zijn streven voorzag de regering deze verenigingen van geweren uit de depots en werden sergeant-instructeurs van het leger ook in niet garnizoensplaatsen ter beschikking gesteld. De toen net nieuw opgerichte kruitfabriek in Muiden voorzag de verenigingen van gratis buskruit.

De oorsprong van de vereniging

Op 16 maart 1867 werd op initiatief van een viertal verontruste Apeldoorners, de heren van der Feltz, Galle, van Heuven en van de Veld, in de Apeldoornsche Courant een oproep geplaatst aan de Apeldoorners van alle rang en stand om te komen tot het oprichten van een Weerbaarheidsvereniging. Deze, door Jonkheer van der Feltz opgestelde, oproep, was niet aan dovemansoren gericht want op 25 maart 1867 kwam een grote menigte van allerlei rang en stand bijeen in het café van juffrouw de weduwe van Lunteren. Dit café stond in de Hoofdstraat ongeveer waar nu de doorgang is van de Hoofdstraat naar Tivoli. In 1884 werd het verbouwd en omgedoopt in ‘Hotel van der Burg’. In dit voor Apeldoornse begrippen zeer luxueuze en zeker gerenommeerde hotel zullen voortaan vrijwel alle algemene ledenvergaderingen gehouden worden tot 1902 aan toe. Het doel van de bijeenkomst komt duidelijk tot uitdrukking door een citaat uit de daar gehouden en in de krant afgedrukte redevoering van de heer van der Feltz.

• . . In de tegenwoordige tijdsomstandigheden moet iedere rechtgeaarde en welmenende Nederlander het grote belang hebben zich vrijwillig in den wapenhandel te oefenen om door vereende krachten met het oog op de schoone Nederlandsche spreuk ‘eendracht maakt macht’ in tijden van gevaar niet onvoorbereid door magtige naburen te worden overvallen en opgeslokt..’

Deze regels oogsten volgens de krant een donderend applaus. Onmiddellijk melden zich meer dan 150 mannen aan, waaronder de burgemeester Peter MarinusTutein Nolthenius en zijn zoon, Henri Paul Jules die overigens later ook burgemeester van Apeldoorn zou worden.

Er werd daarom besloten de ‘Vereeniging ter bevordering van ‘Neerlands Weerbaarheid te Apeldoorn’ op te richten en een voorlopig bestuur te benoemen (commissie) die zo snel mogelijk met de reglementen voor een vereniging moest komen.

De commissie bestond uit:

*      Mr. P.M Tutein Nolthenius

*      Mr. J.C. van Heuven

*      L.A Galle

*      Jonkheer J.T.M van der Feltz

*      G. Doumes de Boere

Met uitzondering van de heer Doumes de Boere, die directeur van het Apeldoornse gasbedrijf was, waren alle leden van de commissie hoge bestuursambtenaren.

De commissie werkte inderdaad snel want op 8 april 1867 was het reglement klaar en werd ter vergadering goedgekeurd. Er werden twee soorten leden onderscheiden; werkende leden onderbevel van een kapitein-kommandant en rustende leden bestaande uit donateurs en ereleden. Het bestuur werd gekozen uit de rustende leden. Op 13 april werd het reglement in de Apeldoornse courant gepubliceerd.

Op 1 mei tijdens een bestuursvergadering op het gemeentehuis werd besloten een reglement van orde en discipline op te stellen. Men was zeer ambitieus, als oefentijden werden vastgesteld, iedere dag van:

06.30 tot 08.00 uur

12.30 tot 14.00 uur

18.30 tot 21.00 uur op het oefenterrein.

Als oefenterrein werd de Schapenmarkt aangewezen. Dit was de naam voor wat nu de Grote Markt heet.

Tijdens de vergadering werd de wenselijkheid voor een uniform uitgesproken. De heer van Baaren toonde een uniformjasje, bandelier en pet zoals gedragen door de Arnhemse Weerbaarheidsvereniging, plus een simpele modelpet van de pettenmaker Willemse

Op 4 mei 1867 verscheen een advertentie waarin een vergadering werd aangekondigd voor de werkende eden ter vaststelling van het voorgedragen ‘reglement van orde en discipline’.

Op 10 mei vindt deze vergadering plaats. De voorstellen blijken te veel voor de werkende leden. De middagoefeningen en het uniform worden afgewezen, de modelpet van Willemse wordt genoeg geacht.

Op 15 mei werden de definitieve besturen gekozen, namelijk het algemene bestuur en het bestuur van de werkende leden. Via een gesloten stembriefjes procedure werden gekozen:

Rustende leden:

 

 

Werkende leden

 

 

v.d. Feltz

69

Stemmen

J. van Baaren

56

stemmen

Doumes de Boer

67

 

G. Demmink

35

 

Tutein Nolthenius

61

 

A. Vink

31

 

v.d. Heuven

53

 

Bruno Tideman jr.

26

 

Verkouteren

38

 

P. Jager

17

 

Op 31 mei 1867 s ochtends om 08.30 uur vindt er een algemene ledenvergadering plaats in de buitenlucht op de Schapenmarkt. Er waren namelijk zoveel belangstellenden, dat ze niet meer in het lokaal bij mejuffrouw van Lunteren pasten. Onderwerp van de vergadering is de uitmonstering van de vereniging. Deze bestond, zoals eerder beslist, slechts uit ‘een zwarte pet met bies en een oranje cocarde’. Toch levert deze pet meteen problemen op want in de notulen van die 31e mei staat: . ter vergadering werd den Leden de modelpet, vervaardigd door den pettenmaker Willems, getoond. Het model werd goedgekeurd als volgt: twee biezen in zilver voor het bestuur, de Leden één bies Kemeishaar, de Kokarde volgens model van het leger. De kosten dier pet moet door de leden zelf gedragen warden, waarop eenige leden bedanken, die vermeenden dat de kosten van 35 cents door de kas zou worden gedragen.

De vereniging ging van start met 157 werkende leden. Veel van de leden waren afkomstig uit de oude rustende Schutterij. Met name de leden van de handboogschietvereniging ‘Koningin Sophia’ zo genoemd naar de eerste vrouw van Koning Willem de Derde, gingen massaal over naar de nieuwe vereniging. In feite wordt de vereniging ‘Koningin Sophia’ zelfs een onderdeel van de Scherpschutters. Het boogschieten wordt nog een tijd lang naast het schieten met de geweren beoefend, maar verdwijnt rond 1870 volledig.

Er is nog een lijst bewaard gebleven van leden/donateurs van 20 apr11 1867, die zich verplicht hebben jaarlijks minimaal vijf gulden in de verenigingskas te storten. Een aanzienlijk bedrag voor die tijd. Ter vergelijking in de krant van die datum staat een bericht dat de soldij van beroepssergeants in het leger omhoog gebracht zal worden tot minimaal fl.0,25 per week. De kroon spannen jonkheer L. van Bronkhorst en L.M de Fiellietaz Goethart Sr. die elk fl. 25,00 schenken! Beide hebben veel voor de vereniging gedaan. De eerste die Grootmeester van het Paleis en het Domein het Loo was, bezat een slechte gezondheid, waardoor hij niet actief in de vereniging kon zijn, maar hij heeft vele financiële deuren geopend voor de vereniging.

De tweede heeft ook niet actief gediend, maar zijn zoon wel. Ook hij heeft veel financiële bijdragen geleverd. Zo stelt hij op 7 mei 1868 kosteloos en hem toebehorend stuk heide, cryptisch omschreven als ‘de heide achter die van de heer Hoegen’, ter beschikking om te schieten.

Het Apeldoornse initiatief stand overigens niet alleen zoals blijkt uit een manifest van het Centraal Comité van de Nederlandse Weerbaarheidsbond van 20 juli 1867. Dit comité was opgericht op 22 oktober 1886 te Utrecht. Door deze overkoepelende bond over alle Weerbaarheidsverenigingen, zijn de vermaarde nationale wedstrijden georganiseerd, in september 1868 te ‘s -Gravenhage, in augustus 1869 in de Bilt en in augustus 1872 op de Wiesselsche heide te Apeldoorn.

In dit manifest aan het Nederlandse Volk wordt de opwekking gedaan om Scherpschuttersverenigingen op te richten en om daar, waar zo’n vereniging reeds bestaat, er in grote getale lid van te warden. In aanmerking komen jongelieden van beneden de 25 jaar en zij die hun dienst bij de Schutterij volbracht hebben.

Van af het eerste begin is het de bedoeling dat de Koning gevraagd zal worden als beschermheer, maar het bestuur beslist dat eerst de ‘Apeldoornse eigenaardigheden’ overwonnen moeten worden. Deze eigenaardigheden zijn het geringe aantal inwoners verspreid over een groot gebied en het totaal onbekend zijn met het scherpschieten en anderlei nuttige militaire aangelegenheden van de Apeldoorners.

De hiertoe opgezette oefeningen willen echter niet vlotten. Al op 19 augustus wordt er besloten dat de dagelijkse oefeningen terug gebracht worden tot de donderdagochtend en de zondagmiddag

Ongelukkig met dit besluit werd er druk gecorrespondeerd door het bestuur van de nieuwe vereniging met de Ministeries van Oorlog, Binnenlandse zaken en het kabinet van de Koning. Aan de Koning werd gevraagd:

• . . . naar herwaarts te willen detacheren ‘n onderofficier met een veertigtal geweren opdat zo spoedig mogelijk de oefeningen en de exercitiën aanvang kunnen nemen. Het zal ons tevens aangenaam zijn zoo de instructeur vergezeld wordt van een soldaat, belast met het schoonhouden en bewaren der geweren, waartoe in deze plaats geen geschikt persoon aanwezig is.

Dat dit verzoek ingewilligd wordt blijkt al snel. Op 7 september 1867 vindt de eerste oproep plaats van de vereniging aan haar leden tot een oefening in de wapenhandel op het oefenterrein op de heide van de Fiellietaz Goethart.

Deze schietwedstrijd (want dat was het) vindt plaats op 5 oktober 1867.

Voor het front van de aangetreden werkende leden wordt aan sergeant Gamier een zilveren ‘horologie’ (horloge) uitgereikt met gouden ketting uitgereikt als bewijs van tevredenheid. Kennelijk was hij er in geslaagd de welwillende maar militair totaal ongeschoolde Apeldoornse vrijwilligers enig militaire grondbeginselen bij te brengen. Dit was tevens zijn afscheid van de vereniging. Hij wordt opgevolgd door de sergeant de Groot. De plaatselijke Harmonie luistert de plechtigheid op en maakt daarna met de leden van de Weerbaarheid een ‘Militaire Promenade’ door de gemeente. Een militaire promenade of - wandeling is een eufemisme, dat in die tijd gehanteerd wordt voor een militaire mars, want deze wandelingen worden uitgevoerd met wapen en bepakking en zijn minstens 20 kilometer lang!

E.W. De Fiellietaz Goethart.
Edmond de Fielietaz was achtereenvolgens Eerste luitenant en daarna erelid van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe.
Daarnaast heeft hij de vereniging financieel ruimhartig ondersteund.
De familie Fielietaz heeft gewoond in wat nu Marialust is. Daar hangt ook dit schilderij.

De dank van de vereniging aan de Koning is groot. En kennelijk is nu ook de geoefendheid groot genoeg, want zo schrijft het bestuur:

.durven wij ons tevens te vlijen dat deze poging iets tot het algemeen welzijn bij te dragen en kunnen wij reeds nu den wensch niet onderdrukken, dat hef Hoogstdezelve zal behagen, om na een meer volledige organisatie onzer vereniging, daarover het Beschermheerschap te aanvaarden. Mogten ooit tijden van gevaar en beproeving voor Nederland aanbreken Sire! en de regten van hef dierbaar vaderland en van Uw daaraan zoo innig verbonden doorluchtig Huis worden aangerand, dan voorzeker zouden onze vereniging meenen volkomen haren wensch en haar doe! bereikt te hebben, indien ook zij er toe mogt medewerken die tegen elken vijand te verdedigen!

Bij een dergelijk blijk van aanhankelijkheid past maar één antwoord. Zijne Koninklijke Hoogheid Koning Willem de Derde aanvaardde het beschermheerschap van de vereniging op 16 november 1867. Hij stelde echter twee voorwaarden; minstens één concours per jaar en iedere tweede zondag van de maand een militaire wandeling.

De Koning was zelf een verwoed schutter en al beschermheer van de Koninklijke ScherpSchutterij Oefening en vermaak in ‘s Gravenhage, van de Nederlandse Weerbaarheidsbond en lid van het eerder genoemde Le Petit St. Hubert.

Dit laatste geeft overigens nog weer aan hoe de tijden veranderd waren, want deze vereniging was van oorsprong sterk patriottisch. Ook veel familieleden van de Koning beoefenden actief de schietsport.

Toch blijkt de vereniging niet goed van de grond te komen. Door het Ministerie van Oorlog waren 40 gladloopsgeweren en 4 geweren met getrokken loop ter beschikking gesteld. Deze gladloopsgeweren waren voorladers van kaliber 0.69, model 1777, bekend als het Nederlandse slaggeweer 1812, omgebouwd van vuursteen naar percussie en ten enenmale ongeschikt voor het scherpschieten. In feite heeft men dus maar vier geweren. Daarnaast heeft men geen schietbaan. De trom met toebehoren, geschonken door het jongste bestuurslid, kan hier helaas ook weinig aan toevoegen.

Ook dit probleem staat niet alleen zoals blijkt uit een nieuw manifest gedateerd 30 november 1867 van het Centraal Comité van de Nederlandse Weerbaarheidsbond aan het Nederlandse volk met het dringende verzoek om geldelijke bijdragen te schenken , teneinde dat comité in staat te stellen om, waar nodig, de plaatselijke Scherpschuttersverenigingen te helpen aan schietbanen en geweren.

Goede (eigen) geweren en munitie zijn duur en de notabelen die wel geld hebben, hebben geen tijd om aan de oefeningen deel te nemen. De sergeant der infanterie, de Groot, wordt met de instructie belast. Deze instructie bestaat naast het schieten ook uit exercitie en schermen. Dit laatste is een breed begrip; voor de officieren en onderofficieren is het inderdaad schermen op de sabel, voor de korporaals en manschappen bestaat het uit wat tegenwoordig heet bajonetoefeningen, ofwel geweervechten. De oefeningen vinden plaats op de dinsdag- en donderdagmiddag. Het duurt niet lang of er verschijnen nog maar weinig leden op het oefenterrein.

De wegblijvers excuseren zich met de bewering dat hunne bezigheden of verdiensten het niet toelieten twee middagen in de week te verzuimen. Daarom wordt in september besloten deze leden ook zondagsmiddags gelegenheid tot oefenen en schijfschieten te geven. Een middel dat evenmin blijvende belangstelling in een geregelde deelname aan de oefeningen kon wekken. Ook met de sergeant-instructeur gaat het mis. Zo kunnen we lezen en een brief van het bestuur aan den Hoog Edel Gestrengen Heer Generaal Majoor, Bevelhebber 3e Militaire Afdeling te Arnhem verzoeken wij den Sergeant Instructeur te doen remplaceren. De vele ledige tijd schijnt hem nu en dan in verzoeking te brengen het misbruik van Sterken drank, zoodat het zoowel voor de vereeniging als voor den man zelf wenselijk is, dat hierin verandering wordt gebragt. Deze sergeant-instructeur heeft dus nooit een horloge gekregen.

In september 1868 verhuist de heer Doumes de Boer. H wordt bij zijn afscheid benoemd tot erelid.

De heer Piper is zijn opvolger in het bestuur.

De vereniging kampt ook met onvoldoende munitie. In een brief van het Ministerie van Oorlog kunnen we lezen, dat er voorlopig geen munitie afgeleverd kan worden omdat het leger zelf veel te weinig heeft en voorrang krijgt. De schietprestaties zijn dan ook navenant.

Een uitnodiging van het Scherpschutterscollege Willem de Derde uit Arnhem om deel te nemen aan een wedstrijd moet dan ook worden afgeslagen, wegens de ongeoefendheid van de leden.

Zijne Majesteit de Koning kijkt dit alles ontevreden aan. Zijn droombeeld is een militair korps, rechtstreeks onder zijn commando. Dit korps zou uit louter scherpschutters moeten bestaan. De Koning die zijn hele leven een grote belangstelling heeft gehad voor schieten en militaire aangelegenheden, had dit idee opgepakt naar aanleiding van de speciale scherpschutterseenheden, zoals die van Kolonel Hiram Berdan, die met groot succes hadden deelgenomen aan de Amerikaanse burgeroorlog van 1861 tot 1865. Kolonel Berdan huidige de opvatting dat één scherpschutter even veel waard was als 100 (!) normale infanteristen. Ook de Koning deelde deze mening.

Een interessant detail is dat de Koning onderzoek laat uitvoeren naar de exacte kleur van de uniformen van de eenheid van de Kolonel. Deze kleur (groen) wordt dan ook de kleur van de uniformen van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Dit is opvallend want dat groen was weer gebaseerd op de groene uniformen van de Europese ‘Jager’ regimenten, zij het dat het iets donkerder was. De suggestie dat de groene uniformen van de Koninklijke Scherpschutters een jachtachtergrond hadden is dus niet juist. De kleur is via de omweg van de Amerikaanse scherpschutters gebaseerd op de jagersregimenten (de latere garde regimenten) zoals in Nederland bijvoorbeeld de ‘Limburgse Jagers’.

Zowel de prestaties als het vrijblijvende karakter van de Apeldoornse Weerbaarheidsvereniging zijn hem een doom in het oog.

De Koning lost dit op zijn eigen specifieke wijze op. Op zaterdag 10 oktober 1868 tijdens een bestuursvergadering ten huize van de heer Verkouteren komt jonkheer van der Feltz met de mededeling dat de Koning een scherpschutterskorps wil oprichten, met de naam: Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Van der Feltz legt een gedetailleerd plan voor aan zijn verbaasde medebestuursleden. Het kan bijna niet anders of jonkheer van der Feltz die een persoonlijke vriend was van Koning Willem de Derde, is nauw betrokken geweest bij deze ‘coup’. De grote lokkers zijn: de Koning neemt alle lasten voor zijn rekening en alle leden van het bestuur zullen worden benoemd tot officier. Het bestuur gaat akkoord met de ook al gereed liggende statuutwijzigingen en de volgende besluiten worden bekrachtigd:

Artikel 1. Er bestaat te Apeldoorn eene vereniging tot Bevordering van Neerlands Weerbaarheid, ten doel hebbende aan de ingezetenen van de Veluwe van alle standen gelegenheid te geven tot oefening in de wapenhandel. Zij draagt den titel ‘De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe Zij wordt opgericht door Zijne Majesteit den Koning die haar Sterkte voorlopig bepaald op 1 kapitein Kommandant , 4 eerste luitenants, 1 officier van gezondheid, 12 onderofficieren, 8 korporaals en 84 manschappen.

Artikel 12. Ter bestrijding van de meest noodzakelijke uitgaven betaalt ieder werkend lid eene contributie van 25 cents per vierendeel jaars, bij vooruitbetaling te voldoen.

Artikel 13. Deze vereniging wordt aangegaan voor den tijd van 29jaar.

Slotartikels Artikel 1. De vereniging neemt aan zich, by eventuele, door het Centraal Comité van de Nederlandschen Weerbaarheidsbond uit te schrijven wedstrijden behoorlijk te doen vertegenwoordigen.

Was getekend:

JonkheerMr. J.T.H van derFeltz

Mr. L. M de Fiellietaz Goethart

A. Verkouteren

J.C. van Heuven

G.A. Schoehuizen

De enige die voor de officiersbenoeming bedankt is de Fiellietaz Goethart Sr. In plaats daarvan schuift hij zijn zoon Edmond naar voren, wat door de Koning geaccepteerd wordt.

Nu moet de overgang noch aan de leden worden verkocht. Ook dit wordt psychologisch aangepakt. Er wordt een wedstrijd georganiseerd met fraaie prijzen om er zeker van te zijn dat alle leden komen. Voorafgaande aan de wedstrijd zal dan een belangrijke mededeling worden gedaan.

Zo geschiedde het. Op 14 oktober 1868 , wederom op de Schapenmarkt om 08.30 uur, staan alle leden van de Weerbaarheidsvereniging aangetreden. Zij worden pardoes met de wijzigingen geconfronteerd, maar zijn zo enthousiast dat het voorstel bij acclamatie wordt aanvaard.

Daarna werd de eerste echte wedstrijd gehouden. Dit concours werd bijgewoond door Koning Willem de Derde en opgeluisterd door de Harmonie. Het verslag van 17 oktober 1868 in de Apeldoornsche Courant is zeer lezenswaardig vanwege zijn hoogdravendheid en sentimentaliteit, waarvan de volgende citaten getuigen.

Onvergetelijk zal die dag zijn, door de herinnering aan de goedheid van ons Geëerbiedigd Hoofd van den Staat, zijne minzaamheid jegens allen, zijn luid uitgeroepene goedkeuring bij ieder schot dat doel trof. Wie immers trilde niet van aandoening, wanneer hij het welgemeende bravo uit de Koninklijken mond mogt hooren, als zijn kogel het midden der schijf doorboorde.

…dat Hij het Geldersche bloed ook beschouwde als het echt Nederlandsche, en als het gevaar daar zal zijn, rekenen zal Zijne Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe om zich heen en in de voorste rijen van der Verdedigers van onzen dierbaren geboortegrond te zien, kwam er aan de geestdrift geen einde.

Naast sentimentaliteit was er echter ook sprake van zakelijkheid en een behoorlijke wedijver tussen de schutters onderling. Dat mocht ook wel gezien de kostbare prijzen zoals uit het volgende prijzenoverzicht van de wedstrijd blijkt.

1. Een gouden horologie (horloge)

2. Een vergulde pendule

3. Een revolver in kistje met toebehoren

4. Een Snider achterlaadgeweer

5. Twee bronzen beelden

6. Een zilveren horologie

7. Een mand tot veldgebruik

8. Een sigarenstandaard op zilveren voet

9. Een patroontasch

10. Een lamp

Vrijwel alle prijzen zijn geschonken door Zijne en Hare majesteit, de resterende door het bestuur. De heer van der Feltz, bestuurslid , won overigens de eerste prijs tijdens dit concours.

Op vrijdagavond 23 oktober 1868 worden tijdens een bijzondere bestuursvergadering op het Loo door Koning Willem de Derde de puntjes op de ‘i’ gezet. Hij deelt het bestuur het volgende mee:

*      Het bevel over het Corps, zoals de vereniging De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe meestal kortweg wordt aangeduid, wordt voorlopig (titulitair) opgedragen aan Baron Hardenbroek van Lockhorst, Jagermeester des Konings

*      De dagelijkse leiding aan kapitein La Fors van het Regiment Infanterie. Deze Laatste was instructeur van het eerder genoemde Haagsche Corps en wordt per omgaande op het Loo gedetacheerd.

Op het terrein van het paleis waren twee schietbanen aanwezig. De schietbaan in het buitenpark werd ter beschikking aan de korporaals en manschappen gesteld, die in het binnenpark aan de onderofficieren en officieren.

De volgende personen zullen voor een benoeming worden voorgedragen:

de leden van het bestuur tot 1 e luitenant

*      tot adjudant onderofficier vaandeldrager G. Demmink

*      tot sergeant-majoor P. Jager

*      tot sergeant-majoor geweermaker D. Overdijking

*      tot fourier H. Avink

*      tot sergeant: J. Hullemar,, Bruno Tideman jr. J.B Hugenholtz, J. van Baaren, H. Herms, A. Vink, J. van der Laan en H. Huijgen.

De anciënniteit wordt op basis van de leeftijd vastgesteld.

Er wordt een aantal personen voorgedragen tot erelid van het Corps. Deze hebben geen directe binding met de Koninklijke Scherpschutters, maar zijn persoonlijke vrienden van de Koning.

Aangezien de sterkte is vastgesteld op tachtig schutters zijn er te veel leden. De Koning besluit het volgende:

*      alle leden die de keuring der Nationale Selectie (voor het leger) niet hebben doorstaan moeten weg

*      alle ex-militairen met groot verlof eveneens

*      zijn er dan nog te veel schutters dan mag het bestuur beslissen wie er weg moet.

*      als eerste opkomst datum van het korps wordt bepaald 26 oktober 1868.

Zo zal het zijn. Het bestuur accepteert alles, met uitzondering van de ereleden. Want er staat immers in de statuten dat ereleden door het bestuur moeten worden voorgedragen. Grootmoedig geeft de Koning het bestuur gelijk en zegt per omgaande de aanvraag van het bestuur voor het erelidmaatschap van de door hem reeds voorgedragen personen (waaronder zijn twee zoons) te verwachten. De koning poogde zijn liefde voor het schieten en het jagen ook bij zijn zoons te stimuleren. Zo werd de kroonprins Willem benoemd als lid van het centraal comité van de Nationale Weerbaarheidsbond. Voor prins Alexander was een rol weggelegd bij de Koninklijke Scherpschutters.

Het laten afvloeien van bijna de helft (van 157 naar 80) van het aantal leden van de Weerbaarheids-vereniging, die conform de voorschriften van de Koning niet over kunnen naar de Koninklijke Scherpschutters zet nogal wat kwaad bloed. Dit omdat in de praktijk de sociale (lees financiële status) van de schutter doorslaggevend blijkt te zijn. Dit ondanks het feit dat alle afgeschrevenen een persoonlijk door de Koning ondertekende brief krijgen met daarin de dank voor hun vaderlandsliefde.

De vereniging krijgt hiermee een elitair karakter, immers de Koning besliste wie wel en geen lid mocht blijven. Dat het bestuur zich hier achter de Koning verschuilt wordt niet duidelijk. Dit onrechtvaardigheidsgevoel ligt dan ook ten grondslag aan het later oprichten van andere Weerbaarheidsverenigingen, naast de Koninklijke Scherpschutters.

Nu deze oneffenheden uit de weg geruimd zijn pakt Koning Willem de Derde de zaak groots aan en bestelt onmiddellijk 100 geweren en 100 uniformen. (de officieren werden geacht hun eigen uitrusting te kopen). De geweren zijn geen standaard legergeweren, maar die voor die tijd uitermate moderne (en dure!) Remington Rolling Block geweren.

Op 31 oktober 1868 worden de tijdelijk benoemde commandanten ontheven en de Koning benoemt:

tot Kapitein Kommandant: K.J.G. Baron van Hardenbroek

tot bevelvoerend eerste luitenant: Jonkheer Mr. J.T.H van der Feltz

Mr. E.W de Fiellietaz Goethart

A. Verkouteren

J.C. van Heuven

tot reserve eerste luitenant: L.A Baron van Hardenbroek G.A. Schoehuizen

tot officier van gezondheid: J. Vlaanderen Czn.

Deze was tevens de hofarts van de Koninklijke Familie.

De baron van Hardenbroek was beroepsofficier bij het 4e Regiment Huzaren te Deventer. Zijn commandantschap is dus een nevenfunctie. Tevens is hij een van de oprichters van de Neederlandse Weerbaarheidsbond en lid van het centraal comité. Opvallend is dat zijn zoon ook benoemd wordt tot officier aangezien die op deze datum nog maar 19 jaar is. De combinatie vader en zoon die samen in de Scherpschutters dienen komt overigens regelmatig voor, maar niet binnen de officieren. Dit is de enige keer dat dit voorkomt. De enige initiatiefnemer uit de lagere burgerij de heer Piper, wordt de eer tot een officiers- of onderofficiersbenoeming niet waardig gekeurd, dit ondanks of juist dankzij het benadrukken van alle standen, en verdwijnt verder uit beeld. In 1874 neemt hij zijn ontslag. Hiermee gaat de Weerbaarheidsvereniging geruisloos over in de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Er is in het verleden enig meningsverschil geweest over de ouderdom van de vereniging en het al dan niet opgericht zijn door Koning Willem de Derde. Om een eind te maken aan alle discussies hierbij de feiten. De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe is niet de oudste Weerbaarheidsvereniging. De Utrechtse Studenten Weerbaarheidsvereniging bijvoorbeeld werd at in 1866 opgericht en ook de Arnhemse- en Leidse Weerbaarheidsverenigingen zijn ouder. Geen van deze verenigingen bestaat echter meer.

Op 29 oktober 1868, gelijk met de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe dus, wordt nog een aantal Weerbaarheidsverenigingen goedgekeurd in de Staatscourant. Hiervan bestaat er nog één, namelijk de Groningse Weerbaarheidsvereniging. De anciënniteit van de vereniging wordt hierbij bepaald op de alfabetische volgorde van de publicatie in de Staatscourant. Vanuit deze volgorde bekeken zou de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe de achtste Weerbaarheidsvereniging qua leeftijd zijn en de Groningse Weerbaarheidsvereniging de tweede. Waarmee nog een keer wordt aangetoond dat de Scherpschutters niet de oudste Weerbaarheidsvereniging is.

Echter de andere Weerbaarheidsverenigingen zijn ook daadwerkelijk voor het eerst opgericht op of vlak voor deze datum. De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe hebben hun wortels dus ruim een jaar eerder. Daardoor is de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe dus wel de oudste nog bestaande schietvereniging in Nederland.

1867 aangehouden. Zoals uit de notulen en andere stukken onomstotelijk blijkt, zijn de Koninklijke Scherpschutters opgericht door Zijne Majesteit Koning Willem de Derde. Met de daaraan voorafgaande Weerbaarheidsvereniging heeft de Koning echter niets te maken gehad.

Hoogstens heeft hij haar geïnspireerd, net overigens als alle andere Weerbaarheidsverenigingen. Het huidige briefhoofd is dus fout! In plaats van ‘Opgericht door Koning Willem de Derde in 1867’, zou het dus moeten luiden ‘Opgericht door Koning Willem de Derde in 1868’.

Op 19 januari 1869 wordt er aansluiting gekregen bij de Nationaale Weerbaarheidsbond, vanaf dit tijdstip gaan ook diverse leden van de Koninklijke Scherpschutters een bestuurlijke rol spelen in deze overkoepelende bond.

Strikt gezien ontstaan de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe op 29 oktober 1868 bij Koninklijk Besluit nr. 3. De statuten van de vroegere Weerbaarheidsvereniging worden echter slechts gewijzigd en niet opnieuw opgesteld. De leden van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe worden gerekruteerd uit die van de Weerbaarheidsvereniging. Het is daarom verdedigbaar te stellen dat het hier een overgang

Het centraal comité van de Neederlandse Weerbaarheidsbond.
Rechts naast kroonprins Willem, de baron van Hardenbroek.

betreft, waarbij de oorspronkelijke Weerbaarheidsvereniging voortgezet werd in een nieuwe context. Het 12 1/2 jarig jubileum van de Scherpschutters wordt daarom gevierd op 14 april 1881, uitgaande dus van 1868. Als de vereniging later weer een pure burgervereniging wordt is de gedachte dat naar de oprichtingsdatum van de vereniging in zijn totaliteit moet worden gekeken. En vanaf 1927 wordt daarom (terecht?) bij alle jubilea als oprichtingsdatum 25 maart aangehouden.

1.2 De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe

De sterkte van het Corps wordt bepaald op 110 man met de volgende organisatiestructuur

Bij het Koninklijk Besluit wordt ook het uniform bepaald, dit ziet er als volgt uit:

Officieren.
Hoofddeksel, de standaard Sjako (kepie) met zwart verlakte lederen bodem, tulp en massieve pompon van wit blinkend metaal van de officieren der infanterie. ldem cocarde, cocardelus, leeuwekoppen en stormketting. De sjako werd gedragen in het Nederlandse leger van 1813 tot 1894. De tulp is een metalen pluimhouder boven de oranje cocarde waarin een pluim of verenbos werd gestoken.

De afwijkingen bestaan uit de kleur: groen taken en onder de cocarde de Koninklijke Kroon van wit metaal en een dito jachthoorn en in de tulp de pluim van groene, afhangende en glanzende haneveren.

De jas is kort en qua model gelijk aan die van de Scherpschutters uit Den Haag.

Zij is gemaakt van donkergroen laken, de voorpanden, kraag en schoot voorzien van witte biezen.

Op de mouwen opgaande puntsgewijze biezen van wit uitmonsteringslaken. De jas is aan de voorzijde voorzien van acht witmetalen knopen met Koninklijke Kroon en de letters RLHC en aan de achterzijde met dezelfde knopen, evenzo aan de opslagen der mouwen, maar van iets kleiner model. (Wat overigens de letters RLHC betekenen heb ik niet kunnen achterhalen).

Een oranje sjerp met zilveren snal, gelijk aan het model van de officieren der infanterie.

Halssnoeren met kwasten, gelijk aan die der officieren van de Haagse Scherpschutters.

De rangonderscheidingstekenen zijn gelijk aan die van de officieren der Infanterie.

De sabel en sabelkoppel is weer identiek aan die der officieren van de Haagse Scherpschutters. De sabelschede is van wit staal met oorbanden van het zelfde materiaal. De sabelkoppel is van zwart verlakt leer, met leeuwekoppen en een S-haak van voren en snallen van wit metaal.

Sabelkwast met snoer gelijk aan die der officieren der Infanterie.

Pantalon van donkergroen laken, op de beide buitennaden voorzien van biezen van wit uitmonsteringslaken.

Het uniform van de officier van gezondheid.
Dit is identiek aan dat van de overige officieren doch zonder sjerp en met toevoeging ter weerszijden van de kraag naast de sterren het zinnebeeld der geneeskundige dienst van wit metaal.

Het uniform van de adjudant-onderofficier vaandeldrager
Dit is identiek aan dat van de officieren, echter geen sjerp , de kwasten van de halssnoer van zilver en oranje zijde. De onderscheidingstekens op de kraag zijn gelijkvormig aan die van de adjudant onderofficier van de Infanterie.

Het uniform van de onderofficieren.
De sjako is gelijk aan die van de officieren echter zonder haneveren. De jas en broek zijn gelijk aan die van de officieren. De onderscheidingstekens zijn van zilver gallon en gelijk aan die van de onderofficieren van de Infanterie.

De sabel is volkomen gelijk aan die van de Infanterie, voorzien van een witmetalen sluitplaat met daarop de Koninklijke Kroon en de jachthoorn. De sabelkwast is qua vorm en afmeting gelijk aan die der onderofficieren van de Haagse Scherpschutters.

De sabel- en bajonetdrager zijn van zwart tuigleer. Aan deze koppel wordt een hartsvanger gedragen met een wit metalen leeuwekop en een zwart hoornen gevest. Ondergedeelte van het gevest met stootplaat en ondertop van gevest en schede van wit metaal. De schede zelf is van mat zwart leer, evenals de bajonetschede en de patroontas.

Korporaals en manschappen.
Gelijk aan de uitmonstering der onderofficieren. De kepie is echter van zwart laken. Geen sabel, de hartsvanger is voorzien van de sabelkwast conform die der onderofficieren. Korporaals en manschappen dragen slobkousen van wit gekeperd linnen, aan de buitenzijde voorzien van acht tot twaalf knoopjes van zwart hoorn.

De eerste escouade )het eerste peloton' van de Koninklijke Scherpschutters in 1978. Ze zijn bewapend met het Beaumontgeweer. De foto is genomen tijdens één van de ´militaire wandelingen´op een boerderij in Vaassen, waar precies is niet bekend. Let vooral op de krijgshaftige pose van de jonge sergeant rechts.

De kepie hoort bij het uitgaanstenue. Te velde wordt de politiemuts gedragen, deze is qua model gelijk aan die van de infanterie, echter van groen laken en voorzien van dezelfde uitmonstering als de kepie van de diverse rangen. De officieren dragen aan de linkerzijde in plaats van de afhangende groene haneveren, twee opstaande zwarte kraaieveren op de politiemuts.
Tot zover de tekst van het Koninklijk besluit.

 

Afbeelding van een onderofficier van de Koninklijke Scherpschutters in vol ornaat. Het betreft hier de adjudant-vaandeldrager Demmink. Goed zichtbaar zijn het jachthoornembleem )dat door alle jagersregimenten werd gedragen' en de uitrusting van zwart tuigleer. De inzet toont het hoofddeksel voor velddienst.

Overigens wordt het uniform van de ‘Vereniging VolksWeerbaarheid te Arnhem’ in 1870 weer op het uniform van de Koninklijke Scherpschutters gebaseerd.

Op de Wiesselsche heide (nu binnen het paleispark gelegen) wordt een grote schietbaan aangelegd. Het was in die tijd nog echt heide en om de hitte te kunnen doorstaan en om de manschappen van water te kunnen voorzien, worden er waterputten gegraven. Deze waterputten zijn heden ten dage nog steeds te vinden. Bij het 60 jarig bestaan in 1927 wordt in één van de putten door de vereniging een gedenksteen ingemetseld die ook nog steeds aanwezig is. De heide is dan echter al verdwenen, want in 1927 wordt al gesproken over de inmiddels lommerrijke bossen waarin de putten liggen verstopt. Bij wedstrijden worden de manschappen in tenten op de heide ondergebracht.

Op 18 november 1868 reikte de Koning, gekleed in het generaalsuniform van de Koninklijke Scherpschutters, voor paleis het Loo het vaandel uit. Het vaandel was en is een standaard militair vaandel en dient als zodanig met de gepaste militaire eer te worden behandeld. Het vaandel werd bij de kapitein-kommandant thuis bewaard en bij iedere officiële gelegenheid door een vaandelwacht opgehaald en later weer naar het huis van de kapitein-kommandant gebracht Overigens werd het vaandel wel uitgereikt maar niet betaald door de Koning. De verenigingsadministratie bevat nog steeds de rekening van fl.360,- die voor het vaandel is betaald. Dit bedrag was bijeen gebracht door de notabelen van Apeldoorn.

Hetgeen voor één van hen reden was om zijn donateurschap op te zeggen. Dit met de volgende verklaring ‘naast mijn donateurschap wordt ik regelmatig aangesproken voor eene bijdrage voor den Koninklijken Scherpschutters van de Veluwe, dewelke ik om redenen van vaderlandsliefde niet kan weigeren, maar die bezwaarlijk zijn voor mijne financiële huishouding. ik mogt wel willen dat er meer geoefent en minder vlagvertoon gepleegt zou worden’.

Helaas is de standaard militaire parafernalia van de vaandelstok, zijnde; een liggende vergulde leeuw met het zwaard en daarboven een lauwerkrans (zie ook het gedicht van Burlage) in de brand van 1974 verloren gegaan. Dit is af te leiden uit foto’s van het honderdjarig bestaan in 1967 waarop het vaandel nog getooid is met de leeuw. Bij deze brand is ook het vaandel zelf zwaar beschadigd, zodat restauratie dringend gewenst is. Een restauratie is echter uitermate kostbaar en hoewel er al een tiental jaren een vaandelfonds bestaat is de inhoud daarvan niet voldoende voor de restauratie.

Eén van de weinige afbeeldingen van Koning Willem de Derde in het generaalsuniform van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Daarna is het, mogelijk bij de brand in dat jaar, verloren gegaan.

 

De (niet meer actieve) Koninklijke Utrechtse Studenten Weerbaarheid vereniging, opgericht op 2 juni 1866, is nog steeds in het trotse bezit van een compleet vaandel. Aan de hand hiervan zou ook de leeuw voor het Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe vaandel gekopieerd kunnen worden. Het vaandel bevindt zich momenteel (achter glas) in de Schuttershof. Aan de restanten is nauwelijks meer te zien dat het vaandel oranje was met een groene letter W van ‘Willem’ en groene lauwerkransen.

De Apeldoornsche Courant van 21 november 1868 bevat een aardig verslag van de plechtigheid van de uitreiking van het vaandel. Mr. J. Burlage, die zich landelijke roem had verworven door zich in 1830 als eerste vrijwilliger aan te meiden voor wat later de Tiendaagse Veldtocht zou heten in de Nederlandse reactie op de eenzijdige Belgische

Het beschadigde vaandel van de Koninklijke Scherpschutters

Onafhankelijkheidsverklaring, droeg in opdracht van Koning Willem de Derde een door hem gemaakt gedicht voor. Zowel het gedicht als het krantenverslag zijn dermate kenmerkend voor de tijdgeest dat ik u een aantal citaten niet wil onthouden.

Uit de toespraak van Koning Willem de Derde bij het overhandigen van het vaandel aan de kapitein commandant Baron J.A van Hardenbroek:

Mogt eenmaal , hetgeen God verhoede, de ure des gevaars slaan, en het te wapen klinken, dan voorzeker zult gij met moed en vast beradenheid den ons allen zo dierbaren geboortegrond weten te verdedigen. In die overtuiging plaats ik dit vaandel in uw midden. Moge het als symbool van standvastigheid en trouw elk scherpschutter even dierbaar worden als zijn leven!

Hoe de commandant hierop geantwoord heeft weten we niet. Wel staat er vermeid dat zijn antwoord dermate kort en krachtig was dat’ het enthousiasme der mannen om zich met lijf en ziel in te zetten voor de goeden zaak en het Corps, bijkans geen grenzen meer kende’. Dit alles was 1868 nog voorpagina nieuws.

Ook het gedicht van de heer Burlage is in dezelfde stijl. Van het uit zeven coupletten bestaande gedicht zijn hierbij alleen de laatste twee verzen overgenomen

De Koning was dermate enthousiast over het gedicht dat hij ter plaatse verordineerde dat het gedicht opgenomen moest worden in het jaarboek van het Centrale comité voor de Weerbaarheidsverenigingen, hetgeen ook zo is gebeurd. Niet alleen op de Koning maakte het diepe indruk, want volgens de krant blonk zo menig traan in menig mannen oog.

De voltallige Harmonie in 1910. Zittend op de voorgrond het bestuur, derde van links Jonkheer W. Bas Backer

Na een defilé voor de Koning en zijn gasten maakte het Corps een mars door het dorp, waarvan bijna ieder huis de Nederlandse driekleur wapperde, voorafgegaan door het muziekcorps van het 4e regiment Huzaren en de Harmonie van Apeldoorn. Tenslotte werd als nationale hymne gezongen het ‘Wiens Neerlands Bloed door d’aderen vloeit, van vreemde smetten vrij’.

Tenslotte marcheerden de manschappen naar de manege, waar zij door de mildheid van de heer van Hardenbroek werden onthaald in vrolijke opgewondenheid eenige gezellige ogenblikken doorbrachten. De officieren waren door Z.M ten disch genodigd, terwijl de onderofficieren mede eene proeve van de milde hand van hunnen Koninklijken beschermheer mogten ondervinden, door een hun aangeboden souper in de schouwburgzaal van het paleis.

De leeftijdsgrens voor toetreding tot de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe was gesteld op 18 jaar. Men vond het echter ook belangrijk om de jongere garde met den wapenhandel bekend te maken.

Hiertoe werd de Koninklijke Buksschietvereniging ‘De Kroonprins’ op 14 november 1868 opgericht. Hier was de leeftijdsgrens 10 jaar. De leden werden geacht op hun 18e jaar over te gaan naar de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe, een soort kweekvijver voor nieuw talent dus. Er werd bij De Kroonprins niet met grootkaliber geweren geschoten, maar met kleinkaliber geweren (0.22 flobert). Ook ‘De Kroonprins’ schoot op de paleisbanen van het Loo. Dit verklaart ook de nauwe band van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe met de ‘Kroonprins’.

Ereleden van de ‘Kroonprins waren de kapitein Kommandant van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe, de baron van Hardenbroek Sr. en jonkheer L. van Bronkhorst. Als beschermheer werd voor ‘De Kroonprins’, prins Alexander aangezocht, maar vanwege zijn jeugdige leeftijd (17 jaar) aanvaardde de Koning het beschermheerschap voor zijn zoon. Op 6 maart 1869 geeft de Koning aan de Koninklijke buksschietvereniging ‘De Kroonprins’ een schilderij cadeau, waarop hij zelf afgebeeld is in het generaalsuniform van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Dit schilderij is ook verloren gegaan in de brand van 1974, wel bestaat er nog steeds een foto van.

Op 27 maart 1869 inspecteerde de Koning (wederom gekleed in het generaalsuniform van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe) het Corps. Hij schonk de sergeant-majoor geweermaker bij het Corps, de heer Overdijk, een in zilver gevatte hartsvanger.

Dit is een jachtmes waarmee bij de jacht, indien het wild niet direct gedood was, de ‘genadesteek’ werd toegebracht.

Hoe nauw de Koning betrokken was bij zijn Corps en de schietsport in het algemeen blijkt uit het volgende voorval. In augustus 1869 vonden in de Bilt de nationale kampioenschappen scherpschieten van de Nederlandse Weerbaarheidsbond plaats. Zowel de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe als Z.M de Koning zelf hadden deelgenomen aan deze wedstrijden.

Koning Willem de Derde en kroonprins Willem namen samen deel aan de scherpschutters wedstrijden van de Nationale Weerbaarheidsbond in 1869 in de Bilt. De kroonprins staat achter zijn vader. Dit is een van de zeldzame foto's waarop beiden voorkomen.

In de middag van 22 augustus 1869 keerde de Koning van het Scherpschutterskamp in de Bilt op het Loo terug. Op de bassecour werd hij verwelkomd met het Wilhelmus door de Harmonie. Ook de Veluwse schutters hadden op de Biltse heide gekampeerd en in de verschillende wedstrijden niet minder dan zeven eerste prijzen gewonnen. Dezelfde dag keerden ook zij naar Apeldoorn terug, maar legden daarbij een groot deel te voet af.

Om vier uur ‘s middags ging de Koning hen ook te voet een uurgaans tegemoet. Toen hij het Corps tegenkwam hing de Koning de prijs die hijzelf met schieten gewonnen had (een zilveren lauwerkrans) aan het vaandel, stelde zich aan het hoofd der manschappen en marcheerde onder muzikale begeleiding van de Harmonie naar het paleis, waar het defilé werd afgenomen

De Koning is zo tevreden dat hij nog eens honderd man aan het Corps wil toevoegen, dit blijkt echter te hoog gegrepen, er komen onvoldoende aanmeldingen binnen en die wel komen kunnen vaak niet aan de selectiecriteria voldoen. Zo kunnen we over de weigering van een aspirant schutter lezen ‘..de redenen waarom wij hem niet hebben aangenomen, daarin bestaan dat hij tapper van beroep is, wiens tapperij niet altijd in den besten reuk heeft gestaan’ De Koning kiest daarom voor een andere strategie en laat achterlaadgeweren uitreiken aan de leerlingen van de school van Koning Willem de Derde (de Koningsschool) en aan die van de van Kinsbergenschool, voor zover zij oud genoeg zijn (de 7e en 8e klassen. Dit om ze te onderwijzen in de wapenhandel en het exerceren.

De Koningsschool werd opgericht door Koning Willem de Derde in 1852 als een technische school. Dit naar aanleiding van een opmerking van een inspecteur van het onderwijs tegen de Koning dat het slechtste onderwijs wat hij ooit had gezien onder de rook van het paleis van de Koning werd gegeven. Een van de idealen die de Koning had was dat de school goede geweermakers zou afleveren. In de praktijk is hier weinig van terecht gekomen en was het veel meer algemeen vormend onderwijs dat er gegeven werd. Al in 1854 had de Koning het idee geopperd de leerlingen van de Koningsschool te oefenen in de wapenhandel, maar het College van Regenten kwam niet tot uitvoering. In 1868 lukte het dus wel. Hierbij werd ook de aandacht gevestigd op het praktische argument dat de Minister van Oorlog beslist had dat jongelieden, die als lid van een vereniging tot vrijwillige oefening in den wapenhandel reeds een zekere graad van geoefendheid hadden behaald, 4 maanden verkorting van militaire dienst kregen. Als gevolg van deze promotieactie traden veel jongelui toe tot de buksschietvereniging ‘De Kroonprins’

De Koning bestelde 32 geweren met getrokken loop bij de Zutphense geweermaker Visser (een lid van de Scherpschutters), voor dezelfde patroon als het Snider geweer dat bij de Scherpschutters in gebruik was. Voor de arme kinderen moet de terugslag van deze geweren indrukwekkend zijn geweest. De geweren waren samengesteld uit verschillende onderdelen, om de leerlingen in de geheimen van het geweermaken te kunnen onderwijzen. Er bestaan nog een aantal van deze geweren, waarbij het geweldige vakmanschap waarmee ze gemaakt zijn meteen opvalt.

De voltallige Koningsschool gefotografeerd bij het vijfenzeventig jarig bestaan in 1927. De oudste jongens op de voorgrond hebben hun schutterspetten in de hand.

De instructeur van de Koninklijke Scherpschutters, de adjudant onderofficier H.J. Boers, was aangewezen om tweemaal per week één uur les te geven. De leerlingen volgden deze lessen met grote belangstelling. Alle leerlingen die aan de exercitie en het schieten deelnamen kregen een uniformpet. Deze pet was donkerblauw en met twee witte biezen afgezet. Voor vreemdelingen was het aanleiding medelijdende blikken in de richting van de drager(s) te werpen, daar men meende met weesjongetjes te doen te hebben.

Prins Alexander in 1869 gekleed in het uniform van Marineofficier. In 1869-1870 maakte Alexander een grote zeereis aan boord van een Nederlands Marineschip. Hiertoe werd hij tot marineofficier benoemd.

Van de zonen van de Koning, die alle ereleden zijn van de Scherpschutters heeft alleen Prins Alexander dezelfde belangstelling voor het scherpschieten als zijn vader. De Koning wit deze belangstelling belonen op zijn eigen kordate wijze.

De Grootmeester van het Paleis (de heer Bronkhorst) schrijft een brief aan het bestuur waarin meegedeeld wordt dat Prins Alexander en de Baron van Hogendorp tot eerste luitenant a la suite (een erefunctie, zonder directe bevelsbevoegdheid) benoemd moeten worden. De brief eindigt met ’Het zal Zijne Majesteit aangenaam zijn de daartoe voorgeschreven voordragt van u te mogen ontvangen’. Het bestuur reageert hierop door er een extra schepje op te doen en de populaire Prins

De aanstellingsbrief van Prins Alexander tot Kapitein a la suite, bij de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe

Alexander voor te dragen voor kapitein a la suite. In juni wordt op het Loo dan ook een militaire parade gehouden voor Prins Alexander, die tot kapitein a la suite bij het Corps is benoemd.

De heer J.H. Neu, muziekonderwijzer te Apeldoorn, componeert zelfs een speciale Scherpschutters mars (zie de bijlagen). Deze wordt gedrukt en wat belangrijker is vaak gespeeld. Zo maakt het muziekgezelschap de Harmonie op zondagmorgen om 5 uur(!) een ‘promenade militaire’ naar Ugchelen, teneinde zich te oefenen in het spelen van dit stuk tijdens een mars.

In 1870 waren de nationale kampioenschappen gepland op de Wiesselsche heide. Dit roept veel commotie bij het Corps dat de wedstrijd zal moeten (mede)organiseren, want dit was voor deze tijd althans, een enorm evenement. Gelukkig komt er van onverwachte kant hulp. Er wordt door de gemeente Apeldoorn bes list dat:

De noodzakelijke werkzaamheden op het Wiesselsche veld dienen te worden uitgevoerd door Apeldoornse werkloze mannen, daartoe door de commissie van weldadigheid aan te wijzen.

Het Corps zelf bereidt zich voor door onder andere de conditie te verbeteren door het maken van militaire wandelingen.

Burgemeester en wethouders van Apeldoorn vragen de ingezetenen om een bijdrage teneinde bij gelegenheid van het landelijk concours om namens de gemeente een prijs ter beschikking te kunnen stellen en om de illuminatie van het dorp in de avond mogelijk te maken. Zelf schenken zij de aanzienlijke som van fl. 250,00 ook op landelijk niveau wordt de Nederlandse bevolking gevraagd om een bijdrage te geven voor deze wedstrijden, ‘indachtig het belang voor het vaderland’.

De wedstrijden zouden echter geen doorgang vinden, want in juli 1870 brak de Frans-Duitse oorlog uit en werd het leger gemobiliseerd. Met name maakte men zich zorgen of de neutraliteit van Luxemburg, waarover Koning Willem de Derde als Groot-Hertog de scepter zwaaide gewaarborgd zou blijven. Veel manschappen uit de Weerbaarheidsverenigingen werden opgeroepen voor dienst in het leger en de wedstrijden werden uitgesteld.

Het lijkt er op dat het doel waarvoor de Scherpschuttersverenigingen zijn opgericht nu werkelijkheid gaat worden. De Nederlandse Weerbaarheidsbond, de Koninklijke Scherpschutters en zelfs de jeugdvereniging ‘De Kroonprins’ stellen zich ter beschikking om actief het vaderland te verdedigen, zowel als Corps als op individuele basis. Er was zelfs al een plan opgesteld door de minister van Oorlog, waarbij de Weerbaarheidsverenigingen samengevoegd zouden worden tot een brigade onder bevel van een generaal en als geregelde troepen dienst te laten doen. Van het aanbod wordt geen gebruik gemaakt, wel worden er diverse schutters gemobiliseerd. De Koninklijke Scherpschutters doen een oproep om de opengevallen plaatsen, die zijn veroorzaakt door hen die militie- of Schutterplichtig zijn, zo snel mogelijk op te vullen. Hoe populair de Scherpschutters waren blijkt wel uit de reactie van de Vereniging voor VolksWeerbaarheid uit Arnhem. Van deze vereniging meiden zich 21 schutters aan om deel uit te maken van de Scherpschutters en maar 11 voor het leger.

Daarnaast is het dit keer een aantal vrouwen van de Scherpschutters dat een opmerkelijk initiatief neemt. Er wordt aansluiting gezocht bij de afdeling van het Rode Kruis in Deventer en al enige weken daarna wordt de eigen Apeldoornse afdeling opgericht. Presidente is mevrouw De Fiellietaz Goethart en penningmeesteresse mevrouw Schoehuizen. Naast deze dames meldden zich 270 vrouwen aan als werkend lid, waaronder vrijwel alle vrouwen van de Scherpschutters. De geneeskundig officier van de Scherpschutters de heer Vlaanderen en de (hof)apotheker G.J. Romijn (ook lid van de Scherpschutters) worden benoemd tot corresponderende leden.

Op 17 juli 1870 begaf de Koning zich naar de residentie. De Scherpschutters stonden aangetreden en met het oog op de tijdsomstandigheden sprak de Koning hun een woord tot afscheid toe. Even voor het in het rijtuig stappen ontving de Koning twee depêches, waarvan de laatste aan de officieren werd overgebracht.

Deze depêche bevatte de verklaring ‘…….dat Frankrijk beloofde de neutraliteit van Luxemburg te zullen eerbiedigen, zolang Pruissen hetzelfde deed’. De opluchting onder de aangetreden Scherpschutters was groot. In de vroege morgen van 5 oktober keerde de Koning terug op het Loo. Hier werd hij door de Scherpschutters en de Harmonie met muziek begroet.

De Harmonie krijgt in deze maand van de Koning dezelfde uniformen als die de Scherpschutters dragen. Ook geeft hij ze de ontbrekende instrumenten. Zijn bedoeling is de Harmonie te integreren als militaire kapel in de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Dit is ook een aantal jaren zo geweest, waarbij de Harmonie aangeduid wordt als de militaire kapel van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. De nieuwe uniformen en instrumenten worden voor het eerst gebruikt in september 1870 in een concert ten bate van het Rode Kruis. De heer Neu bracht pianosolo’s en de heer Enderle (de latere kapelmeester) zangsolo’s. Het Corps en alle aanwezigen gaven tenslotte’ aan onze Nederlandse harten eens ferm lucht door het zingen van Wien Neerlands Bloed, waarbij menig hart overloopt van vaderlandsliefde’

Eind oktober van dat jaar organiseert het Corps , als troost, wel een schietconcours op de Wiesselse heide. De deelnemers werden op kosten van ‘Z.M onzen geëerbiedigden Koning’ onthaald op een krachtige soep. Ter bereiding van de 100 porties werd 60 kilo ossevlees gebruikt. Na afloop kreeg iedereen ook nog een halve fles wijn.

De leden krijgen echter wel te horen dat zij zich meer militair moeten gedragen. Daarom mag er niet meer geschoten worden in de ‘linnen kiel’ maar moet er altijd geschoten worden in de kapotjas.

Ofschoon op alles voorbereid, het gehele leger was gemobiliseerd, de grenzen werden bewaakt en de forten waren bezet, werd Nederland niet in de strijd, die met de vrede van Frankfurt am Main op 10 mei 1871 definitief eindigde, betrokken.

Het gewone leven herneemt zijn loop. Door de verkregen ‘duidelijkheid’ met een verenigd Duitsland als nieuwe macht, verflauwt echter ook de stuwkracht achter de Weerbaarheidsbeweging.

In 1872 vinden de uitgestelde wedstrijden onder de naam ‘het derden nationaale Scherpschuttersconcours’ wel plaats. In het begin waren er nog al wat bezwaren tegen Apeldoorn als plaats voor de wedstrijd. Men vond Apeldoorn zeer afgelegen liggen en niet voorzien van voldoende faciliteiten. Het is wederom de Koning die de Weerbaarheidsbond weet over te halen. Dit door o.a. alle kosten voor het aanleggen van de schietbanen uit eigen zak te betalen.

Dit concours was een groots gebeuren. Alle Scherpschutters stonden in volledig tenue aangetreden voor hun eigen huis. De kapitein-kommandant haalde de verstweg wonende schutter op waarbij marcherend door het dorp alle huizen van de schutters werden aangedaan, waarop de schutters zich dan bij de marcherende troep aansloten.

In de week die het duurde (van 8 tlm 12 augustus) namen er bijna 10.000 schutters uit heel Nederland deel. Op zondag 11 augustus maakten alle deelnemers onder begeleiding van de muziekkorpsen een defilé door Apeldoorn. Voor het gemeentehuis werden zij feestelijk ontvangen, aan de hoofden van de Corpsen werd de ‘erewijn’ aangeboden. Langs de weg waren aan alle huizen de vlaggen uitgestoken.

Er is nog een plattegrond bewaard gebleven uit die tijd. Hieraan kunnen we af lezen dat er 10 geweerbanen van 300 meter werden aangelegd en een van 500 meter. Er was een enorm tentenkamp voor de huisvesting (er waren alleen al 4 generaalstenten en 17 tenten voor het Koninklijk Huis nodig. Er werd zelfs een tent gebruikt als muziektent onder de fraaie naam ‘muziektempel’. Alle deelnemers kregen een zinken gedenkpenning uitgereikt met aan de voorzijde de beeltenis van Koning Willem de Derde en aan de achterzijde het wapen van de gemeente Apeldoorn met twee gekruiste geweren. Er werd een houten kantine gebouwd door de Apeldoornse aannemer Chris Wegerif voor 1000 schutters voor fl. 3585,00. De heren van de Weerbaarheidsbond hadden een eigen tent (zie de plattegrond in de bijlagen). Voor het eten sleepten zij een enorm servies mee, bestaande uit o.a. 180 champagneglazen, 250 soepborden en 26 sauskommen. Want kamperen mag dan noodzaak zijn, het moet wel in stijl gebeuren. Deze derde en tevens laatste ‘nationaale’ bijeenkomst vormt het absolute hoogtepunt van de Weerbaarheidsbeweging in Nederland.

De leerlingen van de Koningsschool en de van Kinsbergenschool werden ook geoefend in het maken van militaire promenades, waarbij een twintigtal leerlingen op velocipédes dienst deed als cavaleristen. In feite kwam het er op neer dat zij tijdens de wedstrijden als boodschappenjongens en brievenbezorgers ingezet werden. Z.M de Koning benoemt ook per 13juli 1872 de heer J. Enderlé, organist en muziekmeester te Apeldoorn, tot directeur van het muziekkorps

der Veluwse Scherpschutters (de Harmonie) ter vervanging van A.J. Mennes die officieel om gezondheidsredenen om ontslag gevraagd had. In werkelijkheid vond de Koning zijn militaire en muzikale vaardigheden onvoldoende. Om de muziektempel te vullen werd de heer Enderlé ook het muziekkorps van het 8e Regiment Infanterie en dat van de Rotterdamse Weerbaarheidsvereniging toegewezen. En inderdaad hebben de muziekkorpsen iedere dag gespeeld.

Het deksel van de door Prins Alexander geschonken beker uit 1872. De schutter op het deksel heeft een Beaumont geweer, duidelijk te herkennen aan de dikke grendel.

Prins Alexander stelde een schitterende massief zilveren beker ter beschikking. De beker staat afgebeeld op de omslag. Deze ‘Alexanderbeker’ werd gewonnen tot grote trots en voldoening van Koning en Kroonprins door het ‘eigen’ Corps.

Deze beker is ook nu nog in het bezit van de vereniging en staat in het museum Marialust.

Twee leden van de Scherpschutters, de heren van der Feltz en Schoehuizen die deel uitmaakten van de regelingscommissie, werden na afloop van het goed verlopen concours zelfs benoemd tot Officier der orde van de eikenkroon’. De kapel bracht hen een serenade.

Slechte prestaties daarentegen riepen duidelijk de Koninklijke gramschap op, zoals blijkt uit de volgende brief van de Koning gedateerd 29 oktober 1873.

….Daar de uitreiking der vierhonderd Gulden door Ons aan de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe geschonken, ten einde twaalf man aan wedstrijden te doen deelnemen en daar Onze zorgen tot geen gunstig resultaat hebben kunnen leiden, aangezien bij iedere gelegenheid geene prijzen van enig belang zijn behaald geworden, terwijl het tegendeel door Ons met billijkheid had kunnen worden verwacht, zoo hebben Wij goedgevonden te bepalen, dat voortaan de hierboven gemelde vierhonderd Gulden zullen worden ingetrokken.

Het moest met de twaalf Scherpschutters zoo gesteld zijn, dat andere mededingers de minst mogelijke kans overgelaten werd eene pnjs van welken aard ook nevens de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe te winnen, aangezien geen Scherpschutterscorps zulke, in alle opzigten gunstige gelegenheid bezit zich in het schieten te oefenen. Wij kunnen niet nalaten aan het Bestuur der Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe de hoogst treurige en hoogst pijnlijke indruk terug te geven, welke de houding van het Corps bij den wedstrijd te Waalsdorp gehouden, op Ons heeft te weeg gebracht, verblijvende, de toegenegen
(was getekend) Willem. Ai, dat deed pijn, niet in de eerste plaats vanwege de vierhonderd gulden (toch een klein kapitaaltje in die dagen) als wel vanwege de gekwetste trots. Er komt dan ook onmiddellijk een reactie, zoals blijkt uit de volgende brief van een zevental leden aan het bestuur.

De inhoud hiervan luidde: ..Wij verzoeken eene algemeene vergadering te beleggen, ten einde te onderzoeken de oorzaak waarom er te Waalsdorp met het kampschieten door de Scherpschutters van de Veluwe zoo weinig punten zijn geschooten, daar volgens geruchten, bij mede-leden vermoedens bestaan dat de Scherpschutters wegens dronkenschap onbekwaam zijn geweest.

Dit bleek niet zo te zijn, maar er werden wel disciplinaire maatregelen tegen een aantal leden genomen, in de vorm van een boete van fl 0,25 wegens ongeconcentreerd gedrag. De brief aan de Koning weet alles weer recht te zetten want al spoedig komt de toezegging van de Koning dat hij voor het jaar 1874 fl. 1216,05 en een halve cent ter beschikking stelt aan de vereniging.

De Koning was altijd erg direct zoals uit de volgende boodschap blijkt: Ingevolge de bevelen van Z.M den Koning heb ik de eer uwe edelgestrenge te doen weten dat het zijner Majesteits begeerte is dat de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe zich naar het concours te Amsterdam zullen begeven en aldaar in groote tenue zullen verschijnen.

Dit concours was overigens geen succes want de commandant rapporteert: Wegens de verregaande ordeloosheid en onregelmatigheden op het concours te Amsterdam, ben ik aan het hoofd der manschappen terug gekeerd naar Apeldoorn’.

De discipline is trouwens ook bij de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe een probleem zoals uit een andere brief blijkt waarin de commandant het volgende rapporteert aan de Koning: ‘Het bedanken der vroegere bestuursleden, voor redens geheel buiten de Weerbaarheidsvereeniging, het weigeren van twee officieren om op te treden als leden van het bestuur, alsmede de gezapige onmilitaire houding der Apeldoornse burgers, doen het spoedige einde der Weerbaarheidsvereniging tegemoet zien’.

De Koning lost dit op door leden van zijn hof (voornamelijk jachtopzieners) tot onderofficier te benoemen en inderdaad daarna gaat het tijdelijk weer beter.

Wat er van de schutters verwacht werd blijkt uit de ‘dienstregeling voor de maand december 1874’.

4 december

Theorie voor het kader

Voor de manschappen ‘s avonds van 7- 8 uur schermen in de schermzaal

9 december ‘s middags van 1.30 tot 3 uur exerceren

18 december Theorie voor het kader, Voor de manschappen ‘s avonds van 7 tot 8 uur tirailleren 23 december

Tirailleren van 1.30 tot 3 uur. 31 december

Inspectie van wapens en kleding, opkomen in groot tenue Daarnaast werd nog iedere zondag geschoten.

In 1873 gaan zowel de ‘Kroonprins’ als de Scherpschutters schieten ‘naar den schijf op een terrein achter de Nieuwe Enk, behorende aan de heer E.W. de Fiellietaz Goethart. Waar dit terrein precies gelegen heeft weten we niet. Daarnaast wordt er ook nog steeds geschoten op de paleisbanen, waar met name de wedstrijden verschoten worden, meestal voorzien van ‘een goed buffet’.

De band met de Koning bleef goed, zo kunnen we lezen dat in februari 1876 het kader van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe wordt uitgenodigd met familieleden het concert bij te wonen, dat op ‘s Konings verjaardag in de sociëteitszaal door de Harmonie zal worden gegeven. De kaderleden worden verzocht in uniform te verschijnen.

Op 16 april 1881 besluit het Corps haar festiviteiten in het kader van het twaalf- en een halfjarig bestaan met een assaut en een bal.

Vanaf 1886 breken voor het Corps moeilijke tijden aan. De militaire dreiging van Pruissen is verdwenen en samen met het opkomend socialisme maakt dit alle nationale gedachten niet sterker, integendeel de aandacht begint te verschuiven naar zaken als de klassenstrijd en de internationale. Dit heeft tot gevolg dat het Corps steeds verder terug loopt. In de periode 1886 tot 1893 wordt er geen enkele bestuursvergadering gehouden. De notulen van 1886, vermelden dat er geen cent meer in kas is, er is zelfs geen geld meer om de contributie aan de Weerbaarheidsbond te voldoen, In 1894 telt het hele Corps nog slechts 35 leden.

In 1890 overlijdt bovendien Koning Willem de Derde op het Loo en wordt Koningin Emma de Regentes. Na het overlijden van de Koning wordt Koningin Emma (de Koningin-weduwe) beschermvrouwe van de vereniging. Ook zij heeft een warme belangstelling voor het Corps. Zo woont zij in 1893 een schietconcours gedurende de hele dag bij. Ook heeft zij veel prijzen geschonken aan de vereniging. Maar in tegenstelling tot haar man heeft zij, voor zover bekend, nooit een schot gelost. En wat zij zeker niet doet is het zich zo daadkrachtig bemoeien met het Corps zoals Koning Willem de Derde (haar ex-man) wel deed. Prins Alexander was al in 1884 overleden zodat ook van deze kant geen steun werd ondervonden.

Ook de Weerbaarheidsverenigingen beginnen van karakter te veranderen. Het accent verschuift steeds meer naar het schieten als sport op zich. In 1890 werd het streven naar het ‘juist schieten’ officieel vorm gegeven door het oprichten van de Vereniging van Nederlandse Scherpschutters, waaruit later de huidige Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie is voortgekomen.

Het is aan één man te danken dat het Corps dit alles overleeft; Jonkheer W. Bas Backer.

Het bestuur bestaande uit de heren Hugenholtz als voorzitter en jonkheer Bas Backer als secretaris en kommandant van het korps besloten dan ook het roer volledig om te gooien. In hun eigen woorden van 1893: ’.om ons zo mogelijk van de enigszins knellende banden die het onvermijdelijke gevolg zijn van een Corps geheel op militaire leest geschoeid, te ontdoen en de vereeniging te doen herboren worden in een vrije Scherpschuttersvereniging onder dezelfde naam als de vorige, met behoud der voornaamste bepalingen betreffende de oefening in het scherpschieten’.

Een drietal leden van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe in het nieuwe, aangepaste uniform.
De geweren die de schutters voeren zijn Remington Rolling Block Rifles met opgeplante bajonet. Duidelijk herkenbaar zijn de gepolijste metalen trekkerbeugels.
Deze foto is genomen in 1895, waar is niet bekend.

Dit wordt door de leden en Hare Majesteit geaccepteerd en in 1894 worden de statuten gewijzigd. Alle banden met het militaire verleden worden definitief losgemaakt. Ook het uniform wordt aangepast. Wat blijft zijn de haneveren en het groene laken, maar verder wordt het uniform ‘verburgelijkt. De uniformen die nu in het bezit zijn van de vereniging zijn volgens deze ‘verburgelijkte versie gemaakt.

Dit is het einde van een tijdperk. Het muziekkorps gaat als Stedelijke (en later Koninklijke) Harmonie haar eigen weg en de buksschietvereniging ‘De Kroonprins’ wordt opgeheven en geïntegreerd in de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe.

Vanaf dit tijdstip is de vereniging een burgervereniging met een tweeledig doel:
1. het beoefenen van de schietsport
2. in tijden van nood fungeren als reservoir van goed opgeleide schutters, waaruit geput kan worden door het Ministerie van Oorlog.

De laatste gedachte vertoont grote overeenkomst met het streven van de Engelse National Rifle Association (NRA). De NRA was, of beter is want zij bestaat nog steeds, de tegenhanger van de Nederlandse Weerbaarheidsbond. Hier is de tweede doelstelling ook daadwerkelijk in praktijk gebracht. In de eerste wereldoorlog toen er een schrikbarend gebrek aan goede schutters en vooral instructeurs bestond in het Engelse leger, hebben meer dan 2000 NRA leden dienst genomen en als schietinstructeurs gewerkt. Een kleine 200 NRA leden hebben zelfs actief aan het front gediend als scherpschutters in speciale eenheden en een honderdenveertig van hen zijn daarbij om het leven gekomen.

In Nederland is deze doelstelling ook zij het op zeer kleine schaal in praktijk gebracht. In begin 1914 stuurt Nederland op verzoek van de grote mogendheden de Nederlandse majoor L.W.J.K Thomson als militair adviseur naar het net zelfstandig geworden Albanië. Thomson was naast een goed militair ook een uitstekend schilder en tekenaar. Mede door deze kwaliteiten wordt hij een aantal malen als waarnemer uitgezonden. Bijvoorbeeld in 1902 naar Zuidafrika en in de periode 1910- 1913 naar de Balkan en Griekenland. Tijdens zijn stationering in Deventer van 1904 tot 1907 is Thomson lid van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Waarschijnlijk door zijn bekendheid met de leden van de vereniging bevinden zich in zijn kleine gevolg naar Albanië ook twee leden van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe. Deze zijn mee gekomen, die de Albanese gendarmerie de kunst van het scherpschieten te onderwijzen. Beide leden keren veilig naar Nederland terug, Thomson helaas niet. De inmiddels tot generaal en opperbevelhebber gepromoveerde militair sneuvelt op 15juni 1914.

Voor zover bekend is deze gebeurtenis de enige keer dat leden van een Weerbaarheidsvereniging ook daadwerkelijk ingezet worden.

 


De Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe ( KSvdV ) is lid van de Koninklijke Nederlandse Scherpschutters Associatie ( KNSA)

 
            


Copyright © 2001/2003 K.S.v.d.V. Alle rechten voorbehouden.
Opmerkingen over deze website kunt u sturen aan webmaster@ksvdv.nl

This page is best to be viewed on a monitor